17-03-11
69. Mani's Psalmenboek
1.
De levende Geest tilt de oorspronkelijke Mens uit de strijd omhoog,
als een parel die uit de zee wordt opgehaald.
2.
Ik, Mani, apostel van Jezus naar de wil van God, de Vader der Waarheid uit wien ik voortkwam, die leeft en duurt in alle eeuwigheid, daar Hij vóór alles was en nà alles zal zijn.
Alles wat ontstaan is en worden zal, bestaat door zijn Kracht.
Uit Hem kom ik voort.
Uit zijn Wil ben ik.
Door Hem werd mij alle Waarheid geopenbaard.
En zo ben ik uit zijn Waarheid.
Deze Waarheid maakte ik bekend aan mijn reisgezellen.
Vrede verkondigde ik de kinderen des Vredes.
Hoop predikte ik tot het onsterfelijke geslacht.
Ik maakte een keuze en wees diegenen het Pad naar omhoog, die in staat zijn in deze Waarheid op te stijgen.
Dit onsterfelijke evangelie schreef ik neer en voorzag het van de bijzonder voortreffelijke Mysteriën.
Grote werken maakte ik erin bekend en de meest verheven tekenen van machtige gebeurtenissen.
Wat God mij openbaarde, zette ik uiteen aan hen, die naar de Waarheid verlangen.
Ik gaf hun getuigenis van het ware schouwen en van de heerlijkste openbaring, die mij ten deel viel.
3.
Roem en ere zij Mani en zijn heilige uitverkorenen.
De onbevlekte genadevolle ziel, haar zij de glansrijke zege.
Wij bidden u, Vader, Gij die zetelt op de hoogste Troon en uw Licht openbaart, vergeef ons onze afzondering.
Land des Lichts, bron aller Heerlijkheid, breidt uw Genade over ons uit.
Gij 12 machten, onmetelijke Eonen, Gij die niet verdwijnt of minder wordt, U zij de roemrijke krans van de Vader der Lichten.
Ochtendschemering waarover de goden zich verheugen, ether onzer gezegende stad, die openbaar is geworden.
Bloesems van onverwelkbare schoonheid voortgekomen uit de wortels des Allerhoogsten, zij worden geëerd als kinderen van God uit het Land des Lichts.
Gij, Levenschenkende, eeuwige Moeder, eerste Liefde Gods, Gij kwamen vernietigde de macht van de tegenstander.
Gij, onze Vader, sterk in velerlei daadkracht, eerste Manas vol van heerlijkheid, Gij onderwierp de rebellen met uw Macht.
Gij, Geliefde der Lichten, Gij die de Kroon draagt ...
tot redding ...
der ganse aarde ...
zege ...
4.
U, o Zelf, willen wij prijzen, Leven onze ziel.
U willen wij lofprijzen, Jezus Messias.
Barmhartige Levenschenker, zie op mij.
Gij zijt verering waardig, Licht-Ik dat werd verlost.
Heil aan U, o waarlijk Zelf.
En ook over ons verspreide zich uw heil.
Gij zijt met heil gekomen, Licht-Ik der goden dat in het duister straalt.
Gij, Zonen der Waarheid, verheerlijkt dat Licht-Ik, dat ons tot Leven is.
Gij zijt met heil gekomen, Gij waardig Zelf, bevrijd van alle kluisters.
5.
Zingt allen tot de glorievolle, de wijze Parakleet (= Trooster, Helper ; in deze context wordt Mani zélf bedoeld).
De Geest van het morgenrood, de Goden en Vader-God des Lichts, de glorievolle Leider van het onaantastbare Koninkrijk, zij allen en hun 5 verheven Leden, zij bidden in vreugde.
Zij loven de Lichtbrenger, de wijze Parakleet.
De onvergankelijke Eonen, de heilige emanaties van de Moeder des Levens, de oorspronkelijke Mens, de heerlijke Eerstgeborene, de 5 elementen, werkzaam en sterk, zij loven de wijze Parakleet.
De Geliefden der Lichten, het waarlijk stralende Woord, de grote Bouwmeester, die het nieuwe Eon tot bloei en wasdom brengt, de sterke Lichtschenker, de Vader des Levens, zij allen loven de Gezegende, de wijze Parakleet.
De drievoudige Vader, de zegevierende en de 12 wijze Maagden des Lichts, de Aanvoerders en Wachters en Stuurlui, zij allen loven de heerlijke, de wijze Parakleet.
De zuilen der heerlijkheid, de Machten der oerbeelddragers, de engelen en de 3 wielen van water, wind en vuur, zij allen loven de Enige, de wijze Parakleet.
De lichtende zon, de maan en de sterren, de heerlijke Dienaren des Lichts, de rechtvaardige Rechters en de Licht-Rede, zij allen loven de Wijze, de Parakleet.
De aardse lichamen en de hemelse lichamen, het sterrenheir, zij maken muziek met luiten en harpen, Hem allen in vreugde vererend, de wijze Parakleet.
De bergen der aarde, de stromen en wateren, de 4 kosmische lichamen, de bloeiende bomen, de geurende hoven en de adem des winds, zij allen roemen de overgankelijke wijze Parakleet.
Het ras der Rechtvaardigen, de Geestzielen der Wijzen, de scharen der Apostelen, de levende zonen van Mercurius, de priesters des Lichts, zij allen loven de Veroveraar, de wijze Parakleet.
Zingt met de engelen en zegent het Lichtverstand van de Vader, de Zon aller zonnen, zijn sterke, werkzame Macht en zijn glorievolle Wijsheid.
Gij zonen der Vreugde, looft de wijze Parakleet.
Laat ons samen zingen, zingen tot Mani, de Man Gods, op deze volmaakte dag.
Laat ons in vreugde leren kennen, de mysteriën des levens van de Verlosser Jezus, en laat ons het feest vieren en loven de wijze Parakleet.
Ontsteek uw lampen, giet olie in uw vaten, en houdt de wacht op de dag des Troons voor de Bruidegom der Vreugde !
Ontvant de stralen des Lichts van de goede Vader en looft de wijze Parakleet.
6.
Wij die tot het Ras der Lichtzonen worden geteld, laat ons Mani onze bloesems schenken.
De geliefde Zoon, Jezus Christus, plaatst U, Mani, vol vreugde de Kroon op het hoofd.
Want zijn bouwwerk, dat ontheiligd was, hebt Gij weder opgebouwd.
Zijn weg, die verborgen was, hebt Gij weer in het Licht geplaatst.
Zijn leer die verduisterd was, hebt Gij weer tot klaarheid gebracht.
Zijn verborgen Wijsheid hebt Gij verklaard.
7.
Allen zijn wij zijn geheiligden : zij die het Woord horen, en zij die het Woord uitdragen.
Wie Hem een loflied zingt, gelijkt op hem die een krans wint.
Wie in het loflied samen stemmen, lijken op hen, die rozen in zijn handen leggen.
Victorie zij de Rechter der Waarheid en zijn glorievolle Troon.
Moge Hij aan ons allen gegeven zijn, aan de gelovigen en aan de uitverkorenen.
8.
Het onuitsprekelijke in grootheid is de Vader.
Het onmetelijke in verdragen is de Zoon.
Wat ons het Leven openbaart, is de Heilige Geest.
Verborgen in alle eeuwigheid is de Vader.
Een vreemdeling in deze wereld is de Zoon.
Het Pad door de Eonen heen is de Heilige Geest.
De alles kennende Intelligentie is de Vader.
Het Woord dat zich openbaart, is de Zoon.
De stille onthulling der Mysteriën is de Heilige Geest.
De machthebber van het universum is de Vader.
De aan de Vader gehoorzamende is de Zoon.
Het Licht der Eonen is de Heilige Geest.
De verzegeling van onze mond is het teken van de Vader.
De vrede onze handen is het teken van de Zoon.
De reinheid onze maagdelijkheid is het teken van de Heilige Geest.
De geheiligde liefde is ons het zegel van de Vader.
De kennis der Waarheid is ons het zegel van de Zoon.
De vervulling der geboden is ons het zegel van de Heilige Geest.
Laat ons verzegelen onze mond, opdat wij de Vader mogen vinden.
Laat ons verzegelen onze handen, opdat wij de Zoon mogen vinden.
Laat ons onze reinheid bewaren, opdat wij de Heilige Geest mogen vinden.
9.
Uw Koninkrijk komt niet in woorden, maar in Kracht.
Kracht die het woord helder maakt.
Deze kracht spreekt slechts 5 woorden in mijn hart.
Doch op de tong en in de mond worden het er 10.000.
5 bomen staan er in de tuin van de Vader.
5 jonkvrouwen zijn het die met olie in hun lampen binnengaan en hun bruiloft houden met de Bruidegom.
5 geboden zijn het, die de Vader gebiedt aan hen die Hij tot zijn Ekklesia uitverkiest.
De Heilige Geest komt in 5 krachten.
In 5 organen wordt Hij door de ziel ontvangen.
5 grootheden zijn het, die van de aanvang af regeren.
Ui 1 Geest zijn alle voortgekomen.
Enig is God, die in het verborgene is, die is geopenbaard, die ons voert tot Leven, die eeuwig zwijgend is, en nochtans spreekt.
10.
Gij maakte de wereld tot uw harp, o Heer.
Waarop Gij ononderbroken speelt.
Welke schilder zou kunnen schilderen uw smetteloos Beeld ?
Welke adelaar zou zich kunnen verheffen zoals U ?
Gij springt van het hart naar de tong, en van de tong recht in het hart van hen die het oor aan U lenen.
Welk licht kan zich met uw Straling vergelijken ?
Welke geur in deze wereld zou uw kostelijke Geur kunnen evenaren ?
Ik dook in de diepte der afgrond, en zwom in de breedten der zeeën, om uw diepte en uw breedte te kunnen begrijpen, Heer.
Doch wie is in staat U te vatten ?
De wonderen uwer Schepping ?
Uw Lichtkruis ?
En wanneer ik zeg “Uw Schepping”, wie schiep U, Heer ?
Mijn bewustzijn houdt niet op zich op uw Mysterie te bezinnen.
11.
Koning der heerlijkheid, die in de afgrond van het wereldruim de 3 wielen wentelen doet van water, wind en het levend vuur, de wapenrusting van onze Vader, de eerste Manas.
Beelddrager Gods, die met de zolen van zijn voeten de diepten van het wereldruim beroert, en in zijn handen de last der schepping draagt.
Maan, die de slaap nimmer proeft.
Zon, die al het gereinigde verheft.
Zegel en evenbeeld van ’s Vaders eeuwige vreugde en overwinning.
Jezus, Genezer der gewonden.
Redder van de levende zielen.
Pad van de zoekende pelgrim.
Deur tot de Schat des Levens.
Geliefde dochter des Vaders, gezegende Jonkvrouw des Lichts, die door haar schoonheid alle machten des verderfs beschaamt.
...
12.
Gij, geheiligden, weest niet bezorgd indien gij in samenklank zijt met Mani, onze Vader, de Parakleet.
Alle goddelijke wezens rusten concentrisch in elkaar, gij hemelmensen.
Let dus op, dat gij geen twijfel plant in uw denken, doch slechts enkel vrede in uw daden.
Gij, geheiligden, gij die Gods wet nabij zijt, weest daarop bedacht.
In 3 dingen rust volkomenheid :
in de Heilige Geest,
in de Wijsheid,
en in de Liefde.
In deze 3 dingen zijn alle mensen die uit God zijn, volkomen.
Laat ons in samenklank zijn met deze dingen.
En wij zullen leven in bezonnenheid en vrede, mijn broeders, zodat de vijand in zijn dwaalleer wordt beschaamd.
Want zijn gewoonte is het, de heilige mens met laster te bekladden.
Laat ons droefheid, het zegel der duisternis, vernietigen.
Laat ons blijdschap, het zegel Gods, vóór ons stellen.
13.
Een noordenwind die in ons vaart, is Mani.
Dat wij met hem de ankers mogen lichten en onze zeilen mogen richten naar het land des Lichts !
Laat ons, mijn broeders, de lampen met olie vullen, alvorens onze Heer zijn intrede doet.
Laat ons niet doezelen noch slapen, tot onze Heer ons aan wal heeft gebracht – het hoofd omkranst, de zegepalm in de hand, bekleed met het stralende gewaad – en wij ingaan in zijn bruidsvertrek en met Hem regeren.
Wij allen samen, en de ziel der gelukzalige Maria.
14.
Gij zijt de bron van het levende Water.
De Mysteriën van de Vader zijn in U geopenbaard.
Gij zijt het Lichtkleed der Eonen, het gewaad van de Ekklesia.
Gij zijt de deur tot het land des Lichts, waarin de Ekklesia binnentreedt.
De naam des Vaders is uw Glorie.
Gij zijt de bloesemende vrucht van de Boom die niet vergaat.
Gij zijt de heilige Duif, die met de drieledige anijstwijg in haar snavel zich verheft tot de hemelen.
Gezegend is hij die U vindt.
Gelukkig is hij die U herkent.
Wie U herkent en verwerkelijkt, zal de dood niet smaken.
Hij vindt rust in een Leven dat eeuwig is.
Roem en ere zij Jezus, de Koning der geheiligden.
15.
Mijn God, U wil ik verheerlijken, die rust geeft aan alle mensen.
Ik wil U verheerlijken, de Hoeksteen die verworpen werd, mijn God.
Ik wil U verheerlijken, Hoeksteen, onveranderlijk, eeuwig aan zichzelf gelijk.
Onwankelbaar fundament.
Lam, aan het kruis der natuur geketend.
Schat, verborgen in het veld.
Jezus, Zoon van de ochtenddauw.
Melk van alle bomen.
Zoetheid van alle vruchten.
Ogen des hemels.
Behoeder van alle schatten.
Held, die het universum draagt.
Vreugde van alle schepselen.
Vrede der werelden.
Gij zijt wonderbaarlijk, om over te spreken.
Gij zijt binnen, Gij zijt buiten.
Gij zijt boven, Gij zijt beneden.
Gij zijt ver en ook nabij.
Gij zijt openbaar en toch verborgen.
Gij zwijgt en toch spreekt Gij.
Uw is alle glorie.
16.
Wij zijn uw volk, de schapen van uw kudde.
Laat ons voortschrijden door uw deur en vóór U verschijnen.
Wie zocht, die vond.
Wie bad, hem werd vergeven.
Wie klopte, hem werd de deur geopend.
Komt binnen, broeders, door de enge poort, en laat ons blij worden met het Woord van de Waarheid.
Want de wereld verkeert in dwaling.
De deur werd door velen gezocht, doch zij ging niet open.
Zij zochten God, doch wat God is, vonden zij niet.
Want God is hun buik.
Hun eer is hun schaamte.
Door het verterende vuur worden zij bij dag tot leeuwen.
En bij nacht, onder begeerten bedolven, worden zij tot wolven.
Wie dit vuur overwint, wordt tot zon bij dag.
Wie begeerte overwint, wordt tot maan bij nacht.
Zon en maan van de ziel onderwerpen koude en hitte, overwinnen de zomer en de winter.
Ook de heilige Ekklesia zal ze alle overwinnen, het vuur en het brandend verlangen, de draak met de leeuwenkop.
De volmaakten zullen de zon van de dag zijn.
De gelovigen zullen de maan van de nacht zijn.
Het levende Koninkrijk wordt weer openbaar : de Goddelijke Liefde, de witte duif.
Met een duif wordt vergeleken de Heilige Geest.
Met een slang de onheilige geest.
Duif en slang zijn elkaars vijand.
De duif leeft niet in de modder.
De reine geest wijst goud en zilver af.
De onreine geest begeert deze metalen.
Zie, de armoede is tot deemoed gekomen en heeft een grote naam ontvangen :
zij wordt “heilige armoede” genoemd.
Armoede en deemoed hebben een grote naam ontvangen.
Zij worden tot goddelijke rijkdom.
Mijn broeders, laat ons dus deemoedig zijn, en de armoede beminnen.
Laat ons arm zijn naar het lichaam, doch rijk aan de Geest.
Laat ons op die armen gelijken, die vele anderen verrijken : want daar zij niets als hun bezit beschouwen, hebben zij macht over alles.
Wat zouden wij met het aardse goud en zilver moeten beginnen ?
Laat ons God liefhebben.
Zijn Licht is de Macht.
Wijsheid is : Hem te kennen.
17.
Ziet, de grote Heelmeester is gekomen !
Hij weet alle mensen te genezen.
Hij heeft zijn kostbare artsenij uitgespreid en roept : “Wie het wenst, worde genezen!”.
Ziet de vele therapieën aan : er is geen ware genezing dan slechts door Hem.
Hij stoot geen enkele zieke van zich af.
Met geen enkele gewonde drijft Hij de spot.
In zijn arbeid is Hij zeer bedreven.
Zachtzinnig zijn de woorden uit zijn mond.
Hij weet wonden te snijden en dekt hen met een verkoelend middel af.
Hij besnijdt en reinigt.
Hij brandt uit en verlicht de pijn nog op dezelfde dag.
Ziet, zijn zachtmoedigheid liet elk van ons het eigen ziek zijn erkennen.
Laat ons onze ziekte voor Hem niet verbergen.
Laat de kanker niet in onze leden voortwoekeren, opdat zij niet verstore het schone en machtige beeld van de Nieuwe Mens.
Moge Hij ons genezing verlenen, Hij die alle wonden heelt.
Moge Hij wegnemen onze smetten en vergrijpen uit het verleden, de littekens die in onze ziel zijn ingebrand.
18.
Gij machtig Licht, Jezus, doe mij ontvlammen !
Kroon aller Eonen.
Bloesem der Lichtmoeder.
Pijl der boogschutters.
Lamp der liefhebbenden.
Vaste orde der bouwlieden.
Sterkte der leiders.
Macht van zijn 5 Zonen.
Stralenglans der schoonheid.
Tweelingbroer der volkomenheid.
Metgezel der Wijsheid.
Fundament der Ekklesia.
Vracht der heilige schepen.
Geconcentreerd Bewustzijn.
Lichtgevend verstand.
Volmaakte gedachte.
Goddelijk raadsbelsuit.
Gezegende intuïtie.
Liefde der geliefden.
Geloof der gelovigen.
Volmaakheid der volmaakten.
Geduld van de vastbeslotene.
Wijsheid van de wijze.
Gnosis van de Lichtbrenger.
Trede tot het Licht.
Schatkamer van het goede.
Ark van redding.
Erbarmen aan hen die erbarmenswaardig zijn.
U is alle glorie.
19.
Geest des Lichts, kom en wil mij dragen, tot ik het heb voorgedragen, het lied van de Mensenzoon.
Laat ons, zonen van de Parakleet, musiceren om uw Wijsheid te verheerlijken.
Gij zijt het tweesnijdend zwaard om de bittere wortels af te houwen.
Gij zijt het wapen dat, door reine hand gevoerd, de vijand velt.
Gij zijt het schip van de oerstrijder, waarmee de opstandige rovers worden gevangen.
Gij zijt het wapen van de oerheld waarmee hij de tegenstander bestrijdt.
Gij zijt het oog van de volheid des Lichts, dat overtroomt, tot het de ogen van het boze heeft toegesloten.
Zie, de volkomen Mens staat rechtop in het midden van de Kosmos, opdat gij in hem moogt wandelen en uw kron ontvangen.
Zie, de 5 geheiligde leden zijn over de wereld uitgespreid, opdat uw hart niet langer zal hoeven lijden, en ge de last der zonde van u afwerpen mocht.
Zie, de Rechtvaardige zal u verlichten.
De kostbare artsenij des Heilands zal uw wonden helen.
De Gnosis der Wijsheid zal u omhullen met haar gewaden.
Ga daarom in vreugde naar het land des Lichts !
20.
Speel op uw harp, o ziel !
Laat ons muziek maken voor de geheiligden.
God, mijn God.
Goed is het hen lief te hebben in het binnenste, in de microkosmos :
Jezus, de Maagd en de goddelijke Rede.
Goed is het hen te eren in de macrokosmos :
de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Laat ons met een nooit moe wordend hart zingen voor de geheiligden.
Godmens, gij hebt het rechte pad gekozen.
Val niet.
De Godskrachten hebben u lief.
Gij werd geroepen.
Laat niet na, te luisteren.
Blik niet meer terug ; dan wordt u het verleden niet aangerekend.
strek u naar voren, en God zal zich naar u toewenden.
Wanneer ge nalaat in uw streven, zult ge moeten lijden.
Bindt het onreine aan handen en voeten, en werpt het in de duisternis.
Schoon is een koerende duif, omgeven door haar kinderen.
Goed is een herder, die zijn kudde weidt.
21.
De Geest der Waarheid kwam en rukte ons los van de waan dezer wereld.
Hij bracht ons een spiegel.
Wanneer wij daarin zien, schouwen wij het universum.
Hij toont ons dat er 2 natuurorden zijn : de orde van het Licht, en die van de duisternis.
De orde des Lichts doordringt de orde der duisternis.
Toch is van de aanvang af het duister van het Licht gescheiden.
Het koninkrijk des Lichts bestaat uit 5 grote aanzichten.
Daarin leeft de Vader met zijn 12 Eonen en het Eon der Eonen, het Dertiende.
Dat is de levende Ether, het land des Lichts.
De oergeest ademt in allen en voedt hen met zijn Licht.
Het koninkrijk der duisternis bestaat eveneens uit 5 gebieden.
Zij zijn vervuld van rookdamp, duistere vuurgloed en troebel water.
De heerser die erin rondsluipt, belevendigt ze, en hitst ze ertoe op, tegen elkaar oorlog te voeren.
Toen zij in hun waan een aanslag waagden op het land des Lichts, wisten zij niet dat het op hun eigen hoofd zou neerkomen.
Want er bestaat een veelheid aan engelen in het land des Lichts, die de macht bezitten naar buiten te treden om de vijand van de Vader te onderwerpen.
Vol vreugde was de Vader, dat door zijn uitgezonden Woord de aanmatigende rebellen te onderwerpen waren.
Het verging hem als een herder, die een leeuw ziet aankomen om zijn kudde schapen te vernietigen :
wijs geeft hij een lam als lokmiddel prijs, opdat de leeuw het zal vangen.
En zo redt hij de ganse kudde door één enkel lam.
Daarna geneest hij ook het lam dat door de leeuw werd verwond.
Zo is ook de natuur van de Vader, die zijn sterke Zoon zendt ; uit zichzelf brengt deze de Lichtziel voort die, voorzien van 5 krachten, strijdt tegen de 5 afgronden der duisternis.
Aan de grenzen van het Lichtland toont de wachter hun de reine maagd, zijn ziel.
Daarop geraken zij in hun afgronden in opstand, en met opengesperde muil willen zij de ziel verslinden.
Doch de Zoon houdt de teugels van de ziel in de hand.
Hij breidt haar over hen uit als een net over vissen.
Hij laat haar gelijk wolken van gereinigd water op hen neerregenen.
Als een plotselinge bliksemschicht werpt hij de ziel onder hen.
Dan kruipt zij in hun ingewanden en bindt hen allen vast.
Zijzelf weten het echter niet.
Toen de eerste Manas, de Oermens, zijn strijd gestreden had, zond de Vader zijn tweede Zoon.
Deze hielp zijn broeder uit de afgrond omhoog.
Hij bracht ordening in deze wereld, waarvan de duisternis nu met Licht vermengd was.
Hij verdeelde de krachten des afgronds over 8 aardlagen en 10 ethersferen.
Hij sloot ze in deze wereld op en maakte daaruit een gevangenis voor alle machten der duisternis.
Toch is zij tegelijkertijd een oord tot reiniging van de ziel, de “maagd” die daarin werd opgeslorpt.
Hij herschiep zon en maan, en plaatste hen in de hoogte, om daarmee de ziel te reinigen.
Dagelijks trekken zon en maan het gereinigde ziele-element naar boven.
De droesem spuwen zij uit.
De nog vermengde delen sturen zij in een kringbeweging op en neer.
Deze wereld duurt slechts een bepaalde tijd.
Buiten deze wereld wordt een groot bouwwerk opgetrokken.
Zodra de bouwmeesters hun bouwwerk hebben volbracht, wordt deze ganse wereld opgelost en in brand gestoken, en zal zij door het vuur worden gesmolten.
De Vader zal alle Leven verzamelen, waar het zich ook moge bevinden in de overblijfsels van het Licht, en daaruit zijn evenbeeld scheppen.
Ook de vorst des doods, de macht der duisternis, zal verzamelen al wat hem gelijkaardig is en een evenbeeld scheppen van zichzelf en de archonten.
In een welbepaald ogenblik zal de levende Geest teneer snellen en de verzamelde Lichtzielen allen samen naar boven trekken.
Hij zal de machten der duisternis opsluiten in het gebied dat hiervoor geschapen is, zodat zij gekluisterd en gebonden liggen, voor altijd.
In de plaats van de zich oplossende materiële wereld zal een nieuw Eon worden opgericht, waarin de krachten des Lichts heersen kunnen en zij de wil van de Vader vervullen in volkomenheid.
Zij onderwerpen de boosheidsmacht, tot de overwinning wordt bereikt.
Dit is het Weten van Mani.
Laat ons hem zegenen en eren.
Gezegend is wie hem vertrouwen schenkt.
Want hij zal met de gerechtvaardigden leven.
Glorie en zege zij de Geest der Waarheid, die voortkomt uit de Vader en ons openbaart :
Begin, Midden, en Einde.
22.
O ziel, herken het grote teken, het symbool voor de verlossing van al uw zonden.
Deze zichtbare Troon, “Bema”, werd door de Logos voor u geplaatst, om door dit zichtbare zegel de herinnering in u te zaaien aan het verborgen oordeel, dat ge vergat, sinds ge het water van de waan gedronken had, o ziel.
Zo is dan tot u gekomen de genadedag der vreugde.
Word nog heden zonder angst, bewust van al uw zonden.
Denk aan het einde, en bereid uw werk goed voor.
Bema, de Troon der Wijsheid, staat als doel vóór u.
Paulus, de roemvolle, getuigt daarvan als hij zegt : “Er is geen aanzien des persoons voor de Troon Christi ; of we willen of niet, wij zullen voor het oordeel staan”.
Dit is het, wat de Troon u stilzwijgend vraagt :
word heerser over alle begeerten en over de krachten des boosheid, traagheid, lust en onlust.
Word heerser over de onreine gedachten en over alle krachten van nijd, wantrouwen, hebzucht en toorn.
Maak u heden nog los van alle angsten, bitterheid en bedrog.
Moge het oordeel u in de bewaring van deze geboden vinden.
Moge het u tot eer strekken en u het ware Leven geven.
Volkomen vergeving wordt u verleend.
Kom dan, en bestijg deze heilige treden.
Moge de Troon u worden tot het enige doel van uw dagen, tot louteringsoord van uw leven, ja tot schatkist, gevuld met lering, een ladder omhoog, een weegschaal voor uw daden.
Wanneer ge in Bema de gelijkenis van deze dingen herkent, spreek dan aldus :
“Wees gezegend, wonderbaar zegel van de Logos, waarachtige Troon van het grote Oordeel, zetel van de Vader der Lichten, die boven alle dwaling hoog verheven is ; fundament en oorsprong van alle ware overwinning, vol van Wijsheid”.
Heil zij u, Troon der goddelijke Rede !
Alle bomen, die zich in uw vuur onderdompelen, zijn nieuw geworden.
De rozen der ziel hebben hun schoonheid wijd ontvouwd, want los zijn nu de boeien die hun bladeren hebben gekweld.
De Ether is vol Licht, de sferen verheugen zich over uw zegepraal.
De aarde brengt haar bloesems voort, U tot verheerlijking.
De golven van de zee gaan liggen, het water wordt kalm ; nu is de donkere winter met al zijn nood voorbijgegaan.
Zo laat ook ons aan het kwade toch ontkomen !
Vergeef hen die uw Mysterie kennen, want door de heilige Wijsheid werd hen onthuld het weten omtrent het Geheimenis der Allerhoogsten, het weten omtrent het Geheimenis der helige Ekklesia van de Parakleet, onze Vader.
Schenk ons de vreugdevolle schat van de heilige Geest.
Was ons in het vuur van zijn Glorie.
Bevochtig ons met de druppels van zijn Licht.
Glorie U, onze Vader, Mani.
Door U mogen wij ontvangen de boodschap van het ware Leven.
Glorie zij uw Troon, die in alle eeuwigheid zijn glans uitstralt.
23.
Stralend Licht, Gnosis, Gij zijt gekomen.
Wij, kinderen van de Parakleet, onze Heer Mani, wij roepen U aan.
Wij willen heden een feest voor U vieren.
O Troon der Gnosis, wij reinigden ons hart.
Heilige Gelijkenis, die overweldigt wie U benadert.
Wij zegenen U, glorievolle Troon, zegel der Wijsheid.
Wij vereren uw grootheid en uw onuitputtelijke Mysteriën.
Gij zijt de gezegende Oergrond.
Gij zijt de sterkte der Lichten.
Gij zijt het geschenk der Ethers.
Gij zijt de openbaring der Lichtvictorie.
Wij schouwen U, gezegend Woord, dat berust in elk afzonderlijk hart.
Wij blikken op naar U, Gij Heilige, de volkomen nieuwe in Waarheid en in daad.
Gij zijt de vreugdedag van het nieuwe jaar, het uur van verblijding.
Gij zijt het geneesmiddel voor al onze wonden.
Gij vernietigd het boze en omkranst dat wat goddelijk is.
Uit de duisternis filtert Gij het Licht.
Aan de zielemens geeft Gij rust.
Gij zijt de Troon des goddelijke Rechters, die de 2 natuurorden weten te scheiden.
Gij zijt het volmaakte mededogen.
Gij zijt de vestingswal der Heiligen.
Gij zegeviert over het boze, en brengt de overwinning naar het goede.
Gij zijt de heilige Waarheid.
Glorie zij U, Troon der Gerechtigheid.
24.
Laat ons dagelijks samenkomen en de koninklijke Krans vlechten.
Laat ons goud en zilver scheppen.
Laat ons voegen steen op steen.
Reine woorden – de stenen.
Laat ons hen vergaren en ordenen.
Stralende lelies en rozen, laat ons hen samenbinden.
Heilige harten, heilige hoofden, laat ons hen samenvoegen tot één Ekklesia.
Een nieuwe Koning komt ; laat ons dan ook een nieuw huis bouwen.
Ziet, de Wijsheid is aan ’t ontluiken : is daar ergens een oor dat horen kan ?
Wij hebben de nieuwe wijn gevonden ; daarvoor zijn nieuwe zakken nodig.
Wij hebben zaadkorrels verzameld ; waar is de akker om ze in te planten ?
Het levende Vuur is gekomen ; dat er nu lampen komen om ze ermee te ontsteken.
De wijze maagden, zij gieten olie in de lampen.
De Bruidegom is gekomen ; waar is de Bruid die hem gelijk is ?
De Bruid is Ekklesia.
De Bruidegom is de Lichtgeest.
Mijn broeders, laten we onszelf van alle onreinheden ontdoen, want we weten niet het uur waarin de Bruidegom ons roepen zal.
Dat Hij kome en ons roepe.
Dat ons hart ons rechtvaardigen moge om de Geliefde te ontvangen, die gekomen is om recht te spreken over de gehele wereld.
Mogen wij worden gerekend tot zijn rechterhand, en het Koninkrijk beërven.
Het Koninkrijk, dat is :
Vreugde – Vrede – Leven.
Wat moeten wij nu met de wereld ?
Verhef u !
Laat ons gaan naar ons nieuwe Eon !
Laat ons verwerven onze Lichtkronen, die onvergankelijk zijn.
Laat ons vlechten de stralende Kransen, die nimmer verwelken.
25.
Prijs niets in deze wereld, want er valt niets te prijzen.
Het oord van de eer is de Lichtdrager.
Het oord van de vreugde is de volmaakte Mens.
Ontsteek uw lampen.
Laat ons haastig de valstrikken des lichaams ontvinden, opdat de daarin gebonden Nieuwe Mens bevrijd worde.
Wijk niet terug, noch verlies uw hart, o mens.
Vele schepen zijn tenonder gegaan voordat zij aan de andere oever konden aanleggen.
Talrijke huizen zijn ingestort voordat de nok werd bereikt.
Zo kan het ook een ziel vergaan, die de strijd begint, o mijn broeders, doch dan overvalt haar de storm en de golven grijpen haar.
Er is niet één die goed gevolg de strijd doorstaat, als hij zich naar beide zijden bindt.
De listigen en berekenden vinden God nimmer.
Wiens hart is gaarne bereid de last te dragen die op mij drukt ?
Dat hij wete : mijn last is licht en zoet.
De mensen zijn gewend aan de duisternis.
Zij beminnen de last der zonden.
Gij echter, mijn Gemoed, streef ijverig naar God.
Wijk nimmer in Mij terug.
26.
Waarom, o ziel, verdoet gij uw leven met nietigheden, tot zij u voor de Rechter plaatsen ?
Uw levensdagen lopen u als zand door de vingers.
Waarom verspilt ge al uw ijver aan de aardse dingen, en zet ge al de hemelse dingen naast u neer ?
Ge hebt uw leven in moeite en zorgen doorgebracht, verstrikt als ge waart in de dingen dezer wereld.
Door kommer en leed hebt ge uw eigen val bewerkstelligd.
Een vreemdeling zijt ge hier, wonend in een bezoedeld lichaam van aarde.
Hoe lang reeds stort ge u achteloos in uw onwetend handelen ?
Het enige wat ge doet, is u uitsloven om steeds wer dit lichaam te bevredigen.
Ge hebt echter verzuimd, gij arm wezen, bezorgd te zijn op welke wijze gij kunt gered worden.
Ge hebt gejammerd en tranen vergoten omwille van een stervende zoon of vriend.
Doch de gedachte aan uw eigen afscheid bereikte nooit uw hart !
Darom : verhef uw blik naar dat wat voor u verborgen is.
Kijk voortaan naar dat wat vóór u ligt : zie, het Pad van uw reis ligt vóór u !
Vergeet uw afscheid niet.
Plaats Godsvrucht in uw hart, en gij zult leven, bevrijd van alle nood.
27.
Herken de zoete balsem van het goddelijk geneesmiddel.
Neem waar, o ziel, elke dag de 24 valstrikken vol van arglist.
Wien het gelukt tot algehele overgave te komen aan zijn Redder, dien zal Hij uitredden.
Hebt ge u gereed gemaakt Mij lief te hebben ?
Zo zal ik u bekleden met het heerlijke Lichtgewaad en de Kroon der overwinning.
O, hoe dikwijls spijt het diegene die ten prooi valt aan de valstrikken van het lichaam !
En hoe vrij van zorgen wordt hij, zodra hij het goede doet en de 7 genadewetten vervult, die God hem gegeven heeft, om aan de zevenmacht der begeertenatuur te ontkomen ?
28.
O mens, gij die de eer wilt geven aan uzelf, laat toch uw eigen vruchten varen voor die, welke door de Boom des Levens worden voortgebracht.
O mens, gij die uw eigen leven zo bemint, heb uw naaste lief als uzelf.
Veroordeel toch uw broeder niet om hetgeen gij als onrecht ziet.
Let niet op de splinter in zijn oog zolang gij de balk niet uit uw eigen oog verwijderd hebt.
Wie een arts van node heeft, moge gaan tot het genezende Licht en het medicijn verdragen dat brandt, opdat hij het Licht aanschouwen moge.
De heelmeester der zielen is het geestelijke Licht.
Het begeertevuur dat in het lichaam woont, moet eten en drinken wat passend is.
Doch de ziel dorst en hongert immer slechts naar Gods Woord.
Gezegend is de mens, die door zijn eigen hart niet vervloekt wordt.
29.
De deuren tot het Licht zijn wijd geopend.
En wij mogen komen en ontvangen dit geschenk.
De grote Rechter is tot ons neergedaald.
Verheerlijken wij Hem dan allen samen.
Spreekt : “Heil U, o nieuwe Zon, die met uw Licht verschenen zijt !
Heil U, Geest, die te onzer redding kwam !
Heil U, Mani, die ons onze afgescheidenheid vergeeft !”.
Laat ons vereren de schepen des Lichts die U tot ons hier omlaag dragen.
Wij zegenen uw lichtafkomst in Christus, Schepper van al wat goed en goddelijk is.
Uw Wijsheid zij de Eer, die de dwaling overwint der zich afsplitsende leer.
Wij zegenen de engelen die U brachten van sfeer tot sfeer.
Wij achten hoog uw lijden dat Gij hebt verdragen omwille van uw kinderen.
Want uw Heerlijkheid hebt Gij verlaten, om U weg te schenken aan hun zielen.
Gij hebt vele gestalten aangenomen, tot Gij alle rassen had bezocht.
Tot Gij – uit hun midden – uw Ekklesia, uw geliefden had gevonden en uitverkoren.
30.
Hij heeft ons de beker gebracht gevuld met levend Water.
Wij hebben 5 heilige gewaden ontvangen.
Wij hebben Wijsheid en Liefde gevonden.
Is er iemand die naar deze Liefde hongert ?
Is er iemand die naar deze Wijsheid dorst ?
O, laat ons het volkomene volbrengen en ons werkstuk naar de andere oever brengen.
Met volharding en geduld verdragen wij iedere arbeid, die zich aan ons voordoet.
Ik keek in de hele weeld rond, waar ik geen haven vond buiten de Uwe.
Ik vond geen hoop buiten de Uwe.
Ik vond geen rust buiten de Uwe.
Ik vond nergens gelukzaligheid buiten de Uwe.
Dat zij bij ons blijven moge, eeuwig en altijd.
Glorie en zege zij Mani, onze Parakleet.
Redding en overwinning zij de ziel der gezegende Maria.
31.
Roept de bouwlieden en zegt :
Komt, bouwt haastig !
Bouwt ijlings, gij metselaars !
Want de tijd is rijp voor ons.
Ziet, wij hebben ons fundament gelegd.
Wie goud voor het bouwwerk bezit, laat hem de reinheid bouwen.
Wie zilver heeft, laat hem de matigheid oprichten.
Wie juwelen heeft, laat hem de gezangen en gebeden invoegen.
Bouwt op het bouwwerk niet onbezonnen !
Onnuttig kaf verbrandt !
Bouwt niet met stoppels noch met stro.
Maar eet en drinkt in de naam des Heren.
Bouwt niet met vermolmd hout, doch zet in het innerlijk het zegel van het kruis.
Zet dit zegel niet in het uiterlijk, want het huis dat in het duister werd gebouwd, wordt door dieven aangetast.
De nacht is de tijd van de Hyle.
De dag is de tijd van het Bewustzijn.
Woont in huizen, die gij bouwt des daags !
En hebt ge besloten tot de bouw, kiest dan eerst de juiste maatstaf.
Zonder de rechte maat in uw hand, zal uw huis scheef worden.
Het gebouw is de heilige Wet.
De maatstaf is de ene eis.
Weest niet dronken en hoedt u voor de slaap, zodat ge niet van uw bouwwerk valt.
Bouwt uw huis laag na laag.
Geeft het een dak en maakt het volkomen.
Het huis is de Gnosis.
Het dak is de Vaderlijke Liefde.
Roem en Eer zij mijn verlosser, het onwankelbare Fundament.
32.
Beijver u niet, de mensen tevreden te stellen.
Bevrijdt u van de angst, om de verborgen dingen der schande in u te ontmaskeren.
Breng ze aan het licht, o Godskind.
Want wat zou vanuit het oogpunt des Allerhoogsten van enige betekenis zijn, dan alleen dat wat geheiligd is ?
En zelfs de geheiligde lijdt, wanneer hij zijn inspanning verslappen laat.
Wees als de zon, o mens die gelooft.
Want zij zegt niet : “Ik ben schoon”.
Hoewel schoonheid toch de hemellichamen bij uitstek eigen is.
Gij echter, waar gij gelijk wilt worden aan uw Vader, verheerlijk dan het andere in u, en ge zult vrede vinden.
De Ekklesia is als een krans.
De Gaardenier die deze krans vlecht, windt daarin rozen van stralende reinheid.
Doch er zijn ook valse rozen die slechts de schijn bewaren.
Zij lijken schoon, doch zijn zonder geur.
Wee de valse roos !
Zij heeft de krans der Ekklesia verloren.
33.
Hij ging naar de oever van de zee, en zocht naar parels.
Eerst vond hij Petrus, het fundament van zijn Ekklesia.
Hij vond Andreas, de eerste heilige zuil.
Hij vond Johannes, de bloem der maagdelijkheid.
Jacobus vond hij, de bron van nieuwe wijsheid.
Filippus vond hij, die sterk is in geduld.
Hij vond Bartholomeus, de roos der liefde.
Hij vond ook Thomas, de welriekende die naar Indië ging.
De andere Jacobus vond hij, die de lijfelijke broeder des Heren was.
Simon vond hij, de Kanaäniet, strever naar het ware Leven.
Hij vond Levi, de troon van het geloof.
Hij gaf Judas de bete broods, en zag hoe gering het licht was.
Doch door de strik om hem te werpen, verwijderde hij de wolf van de kudde.
Hij verkoos Maria, de Geest der Wijsheid.
Aan Martha schonk hij Leven, de adem der onderscheiding.
Hij beriep Salomé, het geschenk van de Vrede.
Hij riep Arsinoë, en schonk haar de krans der Waarheid.
Zo beroofde hij Jeruzalem van zijn paarlen en nam hen met zich mee.
Hij liet de doden opstaan uit de dood hunner zonden.
Hij opende de gesloten ogen der blindgeborenen.
Hij maakte dat de oren der doven weder hoorden.
Hij plantte zijn loten op het veld der uitverkorenen.
Hij zaaide zijn zaad in de akker der wetenden.
De roep van zijn stem doordrong zijn gemeente.
Zijn schaapskudde vulde de hoeken der wereld.
34.
O ziel, ontwaak !
Herinner uw Eonen.
Vanwaar komt ge ?
Gij zijt uit den hoge.
Gij zijt een vreemdeling in deze wereld, een gast op deze aarde der mensen.
Gi hebt uw huis in hoge sferen, uw tenten van vreugde, uw ware Vader-Moeder, uw ware Broeders.
Gij zijt een strijder.
Gij zijt een schaap, dat dwaalt in de woestijn.
Uw Vader, de Herder, zoekt naar u.
Herinner u uw Eonen.
O ziel, verhef uw hoofd in dit huis vol begoocheling door arglistige demonen, valstrikken en rovers.
Vergeet uw ware zelf niet !
Want allen jagen zij u na, en vooraan de jagers uit het Dodenrijk.
Zij vangen de vogels en breken hun vleugels, zodat zij niet naar hun duiventil kunnen terugvliegen.
O ziel, hef op uw hoofd, en keer terug naar uw oorspronkelijk Land, dat vol van vreugde is.
Gij zijt een kind des Lichts, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
34.
O ziel, ontwaak !
Herinner uw Eonen.
Vanwaar komt ge ?
Gij zijt uit den hoge.
Gij zijt een vreemdeling in deze wereld, een gast op deze aarde der mensen.
Gi hebt uw huis in hoge sferen, uw tenten van vreugde, uw ware Vader-Moeder, uw ware Broeders.
Gij zijt een strijder.
Gij zijt een schaap, dat dwaalt in de woestijn.
Uw Vader, de Herder, zoekt naar u.
Herinner u uw Eonen.
O ziel, verhef uw hoofd in dit huis vol begoocheling door arglistige demonen, valstrikken en rovers.
Vergeet uw ware zelf niet !
Want allen jagen zij u na, en vooraan de jagers uit het Dodenrijk.
Zij vangen de vogels en breken hun vleugels, zodat zij niet naar hun duiventil kunnen terugvliegen.
O ziel, hef op uw hoofd, en keer terug naar uw oorspronkelijk Land, dat vol van vreugde is.
Gij zijt een kind des Lichts, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
35.
Wees de hymne welgezind.
Wees de muziek tot vriend.
In uw harpspel wordt ge bemind.
Speel op uw harp voor de geliefde Zoon, voor de Koning des Levens, de levende Ether, het Eon der Eonen.
Maak muziek voor het Land des Lichts, voor de Boom des Levens, voor de geheiligde Gnosis, en bespeel de harp der Opstanding.
Wijd geopend is de deur voor de stem van een geheiligd hart, voor de muziek van uw harp.
Het gastmaal van het Bruilofsfeest is toebereid.
Wees de hymne welgezind.
Wees de harp tot vriend.
En zij zullen u omringen met muziek.
36.
Geest, Gij die alles in bezit neemt wat Gij oogst.
Onderwerp de heersers der duisternis, die mij gevangen houden !
De zorg om mijn armzalig lichaam maakt mij dronken.
Zijn herhaaldelijk afbreken en wederopbouwen benamen mij het verstand.
Zijn telkens weer uitroeien van wat werd geplant, verschafte mij verdriet.
Zijn begeertevuur, lust en onlust, zij bedrogen mij dagelijks.
Zijn voortdurend voortbrengen en weer vergaan ketenden mij aan de wet der vergelding.
Ontelbaar zijn de plagen die ik verdroeg in dit donkere huis.
O, mijn waarachtig Licht ! Verlicht mij in mijn diepste wezen !
Hef mij op, want ik ben gevallen.
En help mij samen met U weer naar omhoog.
Wend u tot mij, Heiland, met het geneesmiddel des Levens.
Genees mij van de zware wonden der wetteloosheid.
Zend mij de zoete adem van mijn Lichtvrienden.
Breng tot mij de geur van de Heilige Geest tot in dit lijkenhuis.
Hoe smacht ik ernaar uw genezingen te ontvangen !
Angst, vrees en zorgen : zij zijn de verborgen kanker.
Doch in één ogenblik, mjn God, mocht ik één worden met uw Genade.
Door uw machtige bescherming weken alle ziekten van mij.
Lof zij U, en ere, o Geest, Gij die oogst en vrede biedt.
U is het Ras der kinderen van het Licht.
37.
Gij allen, die uzelf hebt toebereid, snelt naderbij.
Kom haastig aan boord van de ark der heiligen !
Opdat zij niet zonder u haar anker lichten zou.
God heeft ons geroepen.
Hoe verblijden wij ons Hem te volgen !
Hef uw ogen op naar het Licht.
Verzaak aan de bezittingen der wereld.
Zoek de vrede der armoede.
Dat zij u voeren moge tot de rijkdommen van Christus’ Licht.
38.
Reinig mij, mijn God.
Reinig mij in mijn innerlijk en uiterlijk wezen.
Reinig lichaam, ziel en Geest, opdat de Lichtkiemen in mij wassen, en mij tot een fakkel maken.
Laat mij worden tot een vlam, die alles in mij en om mij heen omzet in Licht.
39.
Als ge slechts wist, o Godminnende ziel, welk een zwak huis het is waarin ge leeft !
Ge zoudt olie gieten in uw lampen, en uw lichten doen ontbranden.
Ge zoudt niet dulden dat ze uitgaan, tot Hij komt en u roept.
Zie, uw leger van krachten snelde voor u uit.
Eén deel zal u volgen.
Eén deel begeleidt u.
Verblijd u aldus, wanneer ge voor uw rechter treedt.
Achter u liet ge de honger en de dorst van de dood.
De stad des Lichts hebt ge bereikt.
Een bitter-zoete gewoonte is de vereniging van het vlees.
Haar lachen is wenen, haar zoetheid is bitterheid.
Voortaan hebt ge geen zorgen meer.
Want het huis dat oorzaak is van alle lijden, hebt ge achter u gelaten.
Zelfs uw vergankelijk lichaam zult ge hebben geworpen voor het aangezicht van uw tegenstanders.
40.
Neemt op uw kruis.
Schudt de wereld van u af.
Maakt u los van de banden des bloeds.
Onderwerpt de oude mens.
Bouwt de Nieuwe Mens.
Vervult de heilige Wet.
Geeft ruimte aan de duif met witte vleugelen.
Zet geen slang naast haar.
Verheugt u, mijn geliefden.
41.
Gij zijt de levende Wijn, het Kind van de ware wijnstok.
O, geef ons te drinken van uw wijnstok !
Leid ons tot midden op zee, Jezus.
Wij hoeven slachts uw Naam over de zee uit te spreken, en de golven effenen zich.
Wij zijn dronken van uw Liefde, en vreugde breidt zich uit over ons.
In gedachten verbonden met hen die in den hoge zijn, wapenen wij ons om de draak te bestrijden.
Zoet is het Woord Gods, als het oren vindt die horen.
Zijn woonplaats is het hart van hen die matig zijn en rein.
Genade omhult Jezus’ naam.
Hoe groots is uw Liefde tot de mens, Gij hoogste roos des Vaders.
Ik vind U, wanneer ik U zoek, mij van binnenuit verlichtend.
Het schip Jezus ligt aangemeerd, met kransen beladen.
Laat ons dan rein worden, opdat wij onze reis met Hem aanvaarden kunnen.
Het schip Jezus kiest zijn weg naar omhoog.
Het brengt zijn vracht aan land en keert terug, voor hen die achterbleven.
Voor hen die nog in aardse waan zijn verstrooid.
Eens zal het schip Jezus àllen thuisbrengen in de haven der onsterfelijken.
42.
Kom tot mij, Gij doel van mijn hoop.
...
Ontzie geen moeite, o ziel, gij die wakker zijt in de reeds zo lang durende ketenen !
Herinner u het opstijgen in de sferen van Vreugde.
Een dodelijke verlokking is de zoetheid van het vlees.
Moge uw hart zekerheid verkrijgen.
Dat gij worstelen moogt om uw Zelf, en de vergrijzing achter u laten, om een Nieuwe Mens te worden.
...
Ik heb mij sterk gemaakt in Jezus’ komst, de nieuwe God, het doel van mijn hoop.
Hij wordt niet in een verleide schoot geboren.
Zelfs de machtigen deze wereld worden niet waardig bevonden Hem te herbergen onder hun dak.
Zie, mijn geloof zal mij bijstaan tot het einde, dat ik U, mijn God, reingehouden heb.
De zegels van uw heilige afkomst, o ziel, zijn in u ingeprent. Zo kunt ge door geen enkele onreine geest meer worden aangegrepen.
Want terecht hebt ge Hem vereerd, die alle gesels der dwaling vernietigd heeft.
G, o ziel, hebt u schatten in de hemel vergaard.
43.
Hoe schoon is uw Licht, o Geest ; uw Woord wil ik vernemen.
Hoe schoon zijn uw geboden ; zij lieten mij het uiterlijk doordringen.
Hoe schoon is uw Wijsheid ; zij verlichtte mij vanbinnen.
Hoe schoon is uw Liefde ; zij werd het Leven van mijn ziel.
Ik verbrandde alles.
U alleen heb ik lief.
Ik verliet vader en moeder, broeder en zuster om Uwentwil.
Wat voor waarde hebben voor mij nog goud en zilver, tuin en velden ?
Wat betekenen voor mij vrouw en zoon ?
Uw heilige Liefde heeft hen allen overwonnen.
Wat voor belang hebben voor mij nog spijs en drank ?
Het uur dat mij met uw Liefde verzadigt, overtreft al de overige uren.
Waar is honger ? Waar is dorst ?
Het uur waarin ik van uw Wijsheid eten en drinken mag, overtreft alle overige uren, mijn Geheiligde.
Waar is een minderworden in uw heerlijke Wijsheid ?
Uw Liefde is onmetelijk.
Waar is stilstand, o mijn Geest ?
Gij zijt geconcentreerd Bewustzijn.
Gij zijt het verstand des Lichts.
Gij zijt de volmaakte Gedachte.
Gij zijt de goddelijke Raad.
Gij zijt de gezegende Inspiratie, mijn Geheiligde.
Uw is alle glorie.
44.
Laat ons gaan.
Zij verwachten u.
Het Licht houdt de donkerheid omvat.
Laat ons dan van hier gaan.
Zij staan aan de grenzen en kijken naar u uit.
Zie, God is gekomen in zijn volheid.
Hij zal u antwoorden, als gij Hem roept.
Zie, zij die u verwachten, zullen u helpen.
Hun handen zijn wijd gespreid, om u te omarmen.
Ze zijn met kransen beladen, om ze te schenken aan hem die zegeviert.
Neem de boodschap aan.
45.
De kinderen der dwaling die de materie, de “hyle”, toebehoren, zij verhieven zich, en wilden uw onverwoestbare boom ontwortelen, om hem te planten in hun eigen land.
Daarom geraakten zij in oproer.
Doch zij hadden geen succes, de schepsels der schande.
Gij hebt over uw kleine kudde gewaakt, waarover uw Vader u tot herder heeft gemaakt.
Gij hebt de volmaakten tot U geroepen en hen van hyle vrijgemaakt.
Elk van hen hebt Gij geroepen tot een opdracht onder Jezus’ juk.
De verschrikkelijke vervolgingen door Gods vijand, de afvallige, hebben ertoe geleid dat Gij de zielen ter hulp zijt gesneld.
In hun belang hebt Gij uw bloed vergoten.
Tot het ware Leven hebt Gij hen opgewekt.
Uw is de zege, o Mani, heilige bode der blijde mare.
Zege aan het begin der tijden, zege in het midden der tijden, en zege aan het einde der tijden, naar dewelke allen uitzien.
Gij zijt het waarlijk, die het Begin, het Midden en het Einde verkondigd heeft.
Overwinning zij ook de ziel der gezegende Maria.
46.
Mijn broeders, gij Godsbeminden, doe het Woord der Waarheid aan !
De wereld is nietig.
Geen enkel voordeel vind je daarin.
De mensen denken dat zij tot rust zullen komen.
Zij weten niet dat onheil zich boven het samenpakt.
Zij rennen en stormen naar voren, tot zij worden overweldigd als hun uur is gekomen.
De roep is tot hen uitgegaan.
Maar begrepen hebben zij haar niet.
Her en der zijn ze gelopen, in hun vruchteloze waan.
Om mijn ziel het Leven te geven, heb ik deze wereld gering geacht : de dingen des vlezes heb ik opgegeven.
Met de dingen des Geestes zocht ik samenklank.
Sinds ik de Verlosser heb gevonden, volg ik slechts zijn spoor.
Door niets liet ik mij ophouden, opdat ik de krans ontvangen zou.
Mijn broeders, hoe groot is de vreugde die de volkomene toebereid is.
Wij allen, mijn broeders, kunnen haar beërven.
47.
Onthul mij, o Vader, uw heilig Aangezicht !
Uw onbevlekte heerlijkheid, sterkte mijner ziel, laat haar herrijzen en kom snel tot mij met uw engelenheir.
Vergeet mij niet, uw Maagd, temidden de zonen der hyle : veroorloof de demonen niet mij te overweldigen !
Want ik kom tot U.
Als gieren zie ik de erbarmingsloze massa mij omgeven ; Jezus, openbaar U op de dag van mijn nood !
Ontwar de netten van de angst.
Verstrooi deze massa van narren.
Behoed uw Lichtschaap voor de wild verscheurende wolven !
Ik zie een gruwel van de aarde naar de hemel opstijgen.
Hoe bedroefd ben ik daarom !
Hoe zou ik daaraan kunnen ontvlieden, indien Gij niet, o Heer, mij daar bovenuit zou tillen ?
Los voor mijn ogen de donkere wolken op, zodat ik tot uw geprezen woningen opwieken kan.
Uw Licht te schouwen, is mij tot zekerheid geworden.
Zo heb ik met de duisternis geen gemeenschap meer.
Laat daarom geen mensenkind om mij wenen.
Want de poorten van het Licht openden zich voor mij.
48.
Onder machtig smeken roep ik U in oprechtheid aan : Gij juwelenboom, Levend-Ik, overgetelijke Koning des Heils, de Rust, de reine Daad, de Volkomenheid.
Gij, eeuwig bloeiende juwelenboom, met diamanten leden als wortelen en twijgen, die verheven, eeuwige Vreugde zijn.
Uw door edelstenen volmaakt gevormd gebladerte is het medelijden.
Uw eeuwige frisse, onvergankelijke vrucht is de onsterfelijkheid.
Wie van haar eet, beëindigt voor altijd de stroom van geboorte en dood.
Haar welriekende aroma omgeeft de wereld met haar geur.
Gij zijt, o grote Koning des Heils, het langverwachte eeuwige Leven, de eeuwig bloesemende Boom, die het stralende Ware Zelf weer vermag te doen herleven.
Gij zijt de Wijsheid, de onbegrensde ruimte, de eeuwig Wakende.
Ja, gij zijt de Koning der Geest-ziel, en Gij alleen weet te scheiden.
49.
Wat moet ik doen, Heer, opdat ik waarlijk leven zou ?
Oefen u in matigheid, mijn ziel, en gij zult leven.
Geef uw handen rust, en kleed u in de reine Waarheid.
Geef uw bewustzijn Liefde, geef uw verstand geloof.
Geef uw gedachten volmaaktheid.
Geef uw besluit duurzaamheid, en uw overwegingen Wijsheid.
Geef ruimte in u aan de Duif met de witte vleugels.
Zet geen slang naast haar.
Geef geen ruimte aan droefheid, noch toorn.
Onderwerp begeerte.
Overwin zelfverheffing en aanmatiging.
Laat niet af in uw Liefde tot God.
Met volmaaktheid wordt ge volmaakt.
Met geduld zult ge alles verdragen.
Met de Gnosis zult ge alles begrijpen.
Houd u aan de innerlijke Wet.
Vervolmaak uw daden.
Blijf onverbrekelijk trouw aan al deze dingen, voor altijd.
En gij zult leven, mijn ziel.
50.
Jezus, eniggeboren Zoon des Vaders, redt mij !
Het plasma der wereld wil ik afleggen.
Het vuur der donkerheid met zijn hinderlagen, het vijandelijk legerkamp, ik wil over hen zegevieren, met de wapenrusting van de Parakleet.
De lasteraars heb ik teruggewezen.
De engelen des Lichts hielpen mij de demon te overwinnen.
Ik zal deze wereld afleggen en haar vertekend beeld van het pentagram.
Vernietigen zal ik de valstrikken der archonten, die ik met mij meesleep.
In de herinnering aan de Parakleet zal ik weer tot klaarheid komen.
Laat mij door uw leden rein worden,Gij eeuwige Overwinnaar, en was mij in uw heilige Wateren.
Hoe ik ook altijd moge zijn, maak mij gaaf en smetteloos.
Heer, de tijd is gekomen dat ik naar mijn ware thuis terugkeren wil.
Gij zijt de Weg.
Gij zijt de Deur tot het Leven dat eeuwig is.
Ten gronde gaan des vijands wapens.
In uw Kracht zijn uw geboden mij tot een toevluchtshaven.
51.
Kom, mijn zielemetgezel, Licht, mijn Leider !
Kom, mijn ziel, wees dapper : gij hebt uw Redder.
Uw bescherming is Christus.
Want Hij zal u in zijn Koninkrijk ontvangen.
Sinds ik voortschreed in de duisternis, werd mij een water als zoet medicijn te drinken gegeven.
Ik houd geduldig vol onder een last, die niet de mijne is.
Ik leef temidden van mijn vijanden ; wilde dieren omringen mij.
De last die ik draag, is de last der machten en vorsten van deze wereld.
Zij ontstaken in toorn en verhieven zich tegen mij.
Als wolven renden ze tegen mij aan, alsof ik een schaap zonder herder was.
De grove materie, hyle, en haar zonen, verdeelden mij onder elkaar.
Ze lieten mij branden in hun vuur en gaven mij een bittere gestalte.
De aan mij vreemden, waarmee ik nu vermengd ben, kennen mij niet.
Zij smaakten mijn zoetheid en begeerden mij bij zich te houden.
Ik betekende voor hen leven, doch zij betekenden voor mij de dood.
Ik hield onder hen gestand.
En zij droegen mij als een gewaad.
...
Ik ben in alles.
Ik draag de Hemel.
Ik ben de Bron.
52.
De wijnstok is de Ekklesia.
Wij zijn de druiven.
De wijpers is de wijsheid.
Zo persen de heilige dienaren Gods de wijn.
Door heilige handen werd ik gereinigd tot dat wat onsterfelijk is.
Zij roepen mij tot de hoge bruiloftszaal.
In het feestgewaad gekleed, zal ik daar binnen gaan.
Voor het onheilsgeweld, dat de ziel verteert en vol dwaling is, ben ik niet bang.
De goddelozen moeten het veeleer vrezen.
De dienaren Gods hebben het vertrapt.
Hij die mij de Wijsheid leert, zal mij ook de Kroon op het hoofd zetten.
Hij die mij optrekt tot de heiligen, zal mij ook naar het Licht der Lichten brengen.
Zo wil ik opgaan tot de goddelijke natuurorde.
Glorie en zege zij de Parakleet, de Geest der vertroosting.
53.
Bereid in mij een geheiligd hart, o mijn God.
Laat van nu af aan een oprechte geest in mij zijn.
Het geheiligde hart is Christus ; wanneer Hj in ons opstaat, zullen wij ook in Hem opstaan.
De schepping des Lichts is onze hoop.
De schepping der duisternis is het lichaam, dat wij met ons dragen.
De daarin gekerkerde ziel is uit de eerste Mens.
De eerste Mens die zegevierde in het land der duisternis.
Ook heden zal hij zegevieren in het lichaam des doods.
De levende Geest, die hulp schonk aan de eerste Mens, werkt nog heden als de Parakleet, als Geest van de troost.
Reinig mij, o God.
Reinig mij, innerlijk en uiterlijk : reinig lichaam, geest en ziel.
Reinig in mij de drie zegels : mijn mond, mijn handen, en mijn maagdelijkheid.
Jezus is opgestaan in drie dagen.
Hij heeft het Lichtkruis opgericht in een drievoudige kracht.
De Zon, de Maan en de volkomen Mens, deze drie machten zijn de Ekklesia van de macrokosmos.
Jezus, de Ziel en de Geest die in het midden is, deze drie machten zijn de Ekklesia van de microkosmos.
Het Koninkrijk der Hemelen is in ons en om ons.
Als we daarin geloven, zullen we eeuwig leven.
Glorie en overwinning aan iedereen die deze dingen hoort, gelooft, en in vreugde vervult.
54.
Jezus, verlaat mij niet !
Zie, de heerlijke wapenrusting waarmee Gij uw heilig Gebod hebt omgord, ik heb er mijn leden mee bekleed, en daarin mijn tegenstanders bestreden.
Ik doorzwierf de ganse wereld.
Ik leerde daarin alle dingen kennen.
Ik zag dat alle mensen vruchteloos heen en weer renden.
O, hoe lang reeds heerst daarin de kwade geest en de toorn der duisternis, waardoor de mensen geketend zijn ?
U, God, hebben zij vergeten.
Gij, die kwam, en Uzelf voor hen ten offer gaf.
Heer, toen ik deze dingen zag, werd ik door uw hoop ontroerd, en heb mij in haar gesterkt.
Uw juk heb ik niet afgewezen.
Uw uitnemende geboden heb ik volbracht.
Ik duldde niet dat uw Lamp des Lichts door de tegenstanders werd gedoofd.
Dit is het uur der droefenis, waarin ik op U wacht.
Zo wil ik mijn blik gericht houden op mijn Rechter, en mezelf niet in verwarring laten brengen in mijn daden.
Zegevierend voert Hij mij in de handen der engelen, en zij geleiden mij naar zijn Koninkrijk.
55.
Uw Weg heb ik betreden.
Uw beloften heb ik verkozen.
De ogen van anderen hebben mij dit ten kwade geduid.
Breidwillig liet ik mij leiden door uw geboden.
De wereld en de woorden der illusie liet ik achter mij.
Ik verliet de slechte gewoonten.
Van de schijnvrijheid der wereldse dingen wendde ik mij af.
Want ik ervoer hen als onzinnig.
Ik boog mijn nek onder uw juk der deugd, reds gedurende de stormachtige tijd van mijn jeugd.
Het gif der zonde, Mammon (zie ook Mattheus 6:24), wees ik terug.
Ik trok mij de gezegende armoede aan.
Ofschoon de anderen mij beschouwden als armzalig en zeer zonderling, week ik bij het gaan geen duimbreed af.
56.
In uw Hemel wil ik binnengaan, Verlosser der zielen, en dit lichaam op aarde verlaten.
Ik hoor het geschal der trompetten : zij roepen mij tot de Onsterfelijken.
Zo wil ik mijn lichaam op aarde werpen waaruit het is samengesteld.
Sinds mijn kinderjaren heb ik geleerd de weg tot God te bewandelen.
Laat geen enkel mens om mij wenen, noch mijn broeders, noch mijn ouders.
Mijn ware ouders zijn die in de hemelen.
Zij beminnen mijn ziel, en zoeken haar.
De wereld is de vijand van mijn ziel.
Haar rijkdommen zijn bedrog.
Al het vleeslijk leven haat het Goddelijke ; zou ik in de plaats van mijn vijanden niet hetzelfde doen ?
Zij zijn immers gekerkerd in onwetendheid, in het vlees des doods, dat daar in zonde brandt.
Mijn Redder heeft mij niet verlaten.
Uit zijn levende Bron stilt Hij mijn dorst.
De doodsslaap, met al zijn waan, heb ik van mijn ogen weggedaan.
De Weg der geheiligden, de Weg der dienaren Gods in de Ekklesia, ik herken haar nu.
In haar heeft de Parakleet de Boom der Gnosis geplant.
57.
Jezus, mijn Licht, verlaat mij niet in de woestijn dezer wereld.
Vader, Koning der Gekroonden, U hield ik rein.
De Lichten van omhoog heb ik tot mijn veerboot gekozen.
De Macht die het universum draagt, ik heb haar heilige vracht bewaard.
Jezus, Gij zijt mijn troost.
Aan uw bescherming heb ik mij toevertrouwd.
De ganse wereld heb ik losgelaten.
Ik stond op het punt in de diepte onder te gaan, doch ik slaagde erin de kust te bereiken.
Ik verliet mijn lieflijke ouders en broeders, omwille van mijn geestelijke ouders en broeders.
Ziet, tot de werken van de Nieuwe Mens ben ik nu overgegaan.
De wereld heb ik opgegeven, mijn God, omwille van uw Naam.
Verlaat mij niet, want Gij kent mijn hart.
58.
Kom tot rust, o mijn geliefde, en ween niet meer.
Groot is het nut van uw schat.
Want gij hebt het fundament van uw toren op de rots van Christus gezet.
Gij hebt uw lampen ontstoken in de olie van het geloof.
Gij hebt u bekommerd om die beroofden.
De verweesden hebt gij met voeding en kleding verzorgd.
Gij hebt vervolgingen verdragen in de naam van God, die met genade vergeldt.
De vreugde, Heer, omdat Gij mij toesprak, liet mij al de moeilijkheden van het aardse leven vergeten. De zoetheid van uw stem, herinnerde mij aan mijn Vaderstad.
Wij zou gered kunnen worden zonder zich van zijn zonden vrij te maken ?
O glorievolle Geest, vrucht van Jezus, help mij, ja : help ook mij !
Aan U heb ik steeds vastgehouden, daar Gij de vrucht des doods wegneemt, door het kruis der overwinning.
59.
Open U voor mij, Boom des Levens !
Open voor mij uw Wezen, opdat ik schouwen mag het heilig Aangezicht.
Open mij uw tempelhallen, want mijn hart is sprakeloos van vreugde.
Open mij de tuin van uw Paradijs, opdat mijn geest zijn geur moge inademen.
Mijn gewaad is toebereid, zodat ik blijmoedig tot mijn Vader kan terugkeren.
De tijd van opheldering heeft zich over mij uitgestort : ik dorstte naar waarlijk Leven.
Hard heb ik gewerkt om mij los te worstelen.
Christus’ boodschap, open U voor mij, geef mij uw zegel.
De gemeenschap der adelaren, zij zijn het die mijn hart naar de Hemelen trekken.
Alles heb ik bijeen vergaard, en wat in mijn hand lag tot aan de wortel afgebonden.
Wat voor een weg is dit, tot welke ik mij richt ?
Het spel van mijn harp vernieuwt zich van dag tot dag.
O gij geheiligden, verblijdt u met mij !
Want ik ben tot mijn oorsprong teruggekeerd.
Ik heb de stralende gewaden ontvangen, die nooit oud worden.
60.
Niet moede ben ik geworden U te roepen : deurwachter, open mij de deur !
Niet terughouden wil ik mijn tranen, tot Gij mijn zonden afgewassen hebt.
Indien Gij mijn offer rein bevindt, ontvang het dan in uw schaal.
Bind mij aan uw Gebod, want dieven wonen bij mij in huis.
Laat uw Genade in mij branden.
Doch verbrand in mij al het onnuttige kaf.
En is mijn weg voleind, wil mij dan, o Machtvolle, de Kroon verlenen.
Draag mij op uw vleugels opwaarts.
Gij, arend, vlieg met mij naar de hemelen !
Doe mij het stralende gewaad aan.
Breng mij als geschenk tot uw Vader.
61.
Neem mij mee omhoog naar uw woningen, o mijn Bruidegom !
Rein ben ik geworden, en bereid, U tot het einde te verheugen.
In deze wereld van beproeving heerst alom onrechtvaardigheid.
Alleen God is zonder fouten, Hij die mij uitverkoren heeft om zijn Kind te zijn.
Neem mij op en pluk mij, Heer, wanneer ik bloei aan de vreugdevolle Boom van uw Ekklesia.
Een bloeiende vrucht ben ik geworden, mij reinigend van mijn jeugd af aan.
Waar ik ook heenging, mijn broeders hebben mij met hulp omringd.
O, dat gij toch de vreugde van mijn zielsgenoten kon zien !
Alle plaatsen heb ik doorzworven.
Nergens heb ik toevlucht gevonden, tenzij in Christus alleen.
Mijn broeders, de Zonen des Lichts, zij zullen mij opwaarts tillen, de Hemelen in !
Mijn broeders, laat niet na elkaar bij te staan !
Want we hebben slechts één God die ons helpt met Genade.
Strijdt, o Zonen des Lichts !
Nog een korte tijd, en gij zult overwinnen.
Wie zich aan het juk onttrekt, zal het Bruidsvertrek verliezen.
Geen droefenis meer zal er nog zijn, als gij met de krans de heilige doop zult hebben ontvangen.
Zo ben ik opnieuw geworden, een Kind van God.
Zelfs ik.
62.
Ik ben het Licht dat schijnt, en aan de zielen vreugde schenkt.
Op mij steunen de 7 aardesferen.
Ik ben het Leven der wereld, de melk in alle bomen.
Ik ben het zoete water, aan de andere zijde der zonen uit de bittere materie, de hyle.
Ik heb alle lijden verdragen, tot ik de Wil van mijn Vader had vervuld.
Mijn Vader, wiens Wil ik heb uitgevoerd, is de eerste Manas.
Zie, ik heb de duisternis overwonnen.
Geblust heb ik het vuur der onheilige bronnen.
Het vuur der heilige bronnen heb ik weder doen ontvlammen.
Zo krijgt de Zon het gereinigde deel des Levens terug, terwijl de aardesferen zich draaien in een kring.
O ziel, hef uw ogen op, en herken wat u aan de aarde bindt.
Uw Vader roept u !
Ga nu aan boord van het Lichtschip en ontvang uw zegekrans.
Keer naar uw Koninkrijk terug, en jubel met alle Lichteonen.
63.
U, mijn Redder, roep ik aan : kom tot mij, in dit uur van beslissing !
O mijn gebeden, mijn heilige oefening !
Dit is het ogenblik van mijn dood ; sta mij bij !
Gezegende, oprechte mens, kom naar omhoog !
Vrees niets ! Ik ben uw leidsman, waar dan ook.
Toen ik de roep van mijn Redder vernam, omhulde een kracht al mijn leden.
Ik haalde de bouwvallige muren neer, ik brak de deuren open, en ijlde tot mijn Redder.
Hij plaatste de erekrans op mijn hoofd, legde de overwinningsprijs in mijn handen, kleedde mij met het Lichtgewaad, en verhief mij boven al mijn vijanden.
Al jubelend steeg ik opwaarts tot mijn Vader, met wiens hulp ik het land der duisternis heb overwonnen.
O mijn grote Koning, wil mij overbrengen naar de stad der Goden en engelen !
De vrede van de Vader der volheid zij met u allen mijn broeders.
Ieder die overwint, zal ingaan in zijn Koninkrijk.
Ook de ziel der gezegende Maria.
64.
Ik ben één van uw 100 schapen, Heer, die uw Vader in uw handen gaf, opdat Gij hen voeden mocht.
Toen de roofgierige wolf – de zoon der steppe – mijn zacht geroep vernam, kwam hij in blinde gulzigheid naderbij.
Onder al mijn metgezellen, viel zijn lot op mij.
Doch Gij waakte over mij, tot ik mijn strijd beëindigd had.
Ik leverde mezelf over aan de dood, in vertrouwen op het goddelijke Woord :
“Wie sterven zal om mijnentwil, zal leven ; wie zichzelf gering acht, zal worden verhoogd”.
In de wijsheid die Gij me hebt gegeven, heb ik U tegenover de dwaalleraars verheerlijkt.
En het gelukte geen van hen, het tegen uw Wijsheid op te nemen.
Zie, ik maakte uw geboden tot mijn wapenrusting, en trok er op uit, de wereld in.
Zodra ik uw trompetgeroep verneem, hetzij in zomer, winter, lente of herfst, te allen tijde zal ik U volgen met blij gemoed.
65.
Ik verlang er innig naar het vleeslichaam te verlaten, en gelijk te worden aan een openbloeiende roos, zoals men haar plukt in de ochtendschemering ; om haer te leggen in de hand van een bekwame man, die zijn werk uitstekend verstaat.
Het woord “Jezus” is in mij doorgedrongen.
Het nietige vleesgewaad heb ik afgelegd.
De reine voeten van mijn ziel liet ik vol vertrouwen opklimmen.
De goden die met Christus zijn bekleed, onder hun gelederen bevind ik mij.
O Ekklesia der gerechtvaardigden, gij die uw lampen hebt samen gevoegd en met lieflijke gezangen hebt gevuld, ontsteek ze nu voor de heilige vreugde !
...
Zege zij U, Geest der Waarheid
...
66.
O Heilige Geest, Gij die de materie onderwerpt, breidt uw Genade over mijn bewustzijn uit.
Ankeren wil ik, de Nieuwe Mens, in uw Ekklesia.
Ik zal ontvangen al de beloofde genadegaven, welke de overwinning betekenen in uw eeuwig Koninkrijk.
Jezus is het hoogste geschenk dat gegeven werd.
Jezus is de heilige bloem des Vaders.
Jezus is het hoogste van alle Lichten.
Jezus is de volkomen Mens in de Lichtzuil.
Jezus is de opstanding voor allen die in zijn Ekklesia het stoflichaam overwinnen.
Gij zijt het, die mij in de aanvang tot de strijd hebt uitgezonden.
Gij zijt het, die mij dan zijn rechterhand gegeven heeft.
Gij zijt het, die als een onveranderlijk Licht steeds voor mij uitschijnt.
Gij zijt het ook, die zegevieren zult in de laatste strijd.
De heerscharen des hemels kijken naar U op.
Gij zijt het, wien alle geslachten zullen aanroepen.
Gij zijt het Zegel voor ieder Mysterie.
Gij zijt het ook, die de ziel van Maria de overwinning zal verlenen.
67.
Laat mij, Vader, uw Aanschijn zien, dat ik aanschouwde alvorens deze wereld geschapen was.
Eer de wereld der duisternis het waagde jegens uw Lichteonen jaloersheid op te wekken.
Daarom alleen, was ik voor mijn Koninkrijk tot een vreemdeling geworden.
Nu heb ik deze wortel uitgerukt.
Laten afsterven heb ik het lichaam, dat aan bederf onderhevig is, en brandt in zondevuur.
Ver weg heb ik het gehouden van de reine leden der ziel.
Een vlekkeloze maagd ben ik geworden.
Zegevierend keer ik terug naar omhoog.
Rein gewassen, o mijn Bruidegom, met uw Wateren des Levens.
68.
Het Lichtkruis dat het universum leven schenkt, ik ken het en geloof erin.
Want mijn ziel is zijn evenbeeld.
En door het Licht wordt alle leven gevoed.
Doch zij, die ziende blind zijn, kunnen het niet begrijpen.
...
Ik heb uw goede strijd gestreden, o Heer.
69.
De vreugde is gekomen.
De zomer spreidt haar geur.
Open de poorten.
Steek de lampen aan.
Het Schip is aangemeerd.
Noach is aan boord en stuurt.
Het Schip is het gebod.
Noach is de Geest des Lichts.
Laad uw goederen in.
Zeil met frisse wind.
Wij jagen naar ieder ogenblik, doch verspillen iedere dag.
Want wij weten niet het ogenblik dat alles stil zal worden.
Waar zijn nu alle mensen ?
Ze hebben afscheid genomen ; ze zijn weggegaan.
O, dit grote wonder, deze verbazing, die de mensen heeft gegrepen : zij rennen, zij stormen voorwaarts, doch zij haasten zich vergeefs.
Velen staren in de verte.
Doch vóór ons en in ons, ligt een alomtegenwoordige Dag.
De wonderen zijn gekomen en voltrekken zich.
De tekenen vervullen zich.
Laat in u leven de witte duif, en zet geen slang voor haar.
Anders is zij bevreesd voor u.
Het Koninkrijk is Liefde, de witte duif.
70.
Ik ben de Liefde van de Vader, het gewaad, dat u omhult.
Mijn broeders zijn de Eonen, en de Eonen der Eonen.
De ether en het land des Lichts, zij lagen met mij in barenswee.
Ik ben een Koningszoon, die onder koningen draagt de kroon.
Ik wist van strijd niets af, want ik ben afkomstig uit de Godenstad.
Sinds het uur, dat de haters hun boze oog wierpen op mijn Koninkrijk, verliet ik mijn Vader en daalde af.
Ik bood mij voor hem ten offer.
Ik wapende mij en ging voorwaarts met mijn eerste Lichtgezel.
Ging Hij vooraan, ik streed.
Ging Hij achteraan, ik werd beschermd.
Hij kwam met mij overeen en zei :
“Indien gij zegeviert, zult gij uw Kroon opnieuw ontvangen”.
In de eerste strijd zegevierde ik.
Doch dan ontstond in mij een nieuwe strijd : sinds ik was geketend in het vlees, vergat ik mijn goddelijke afkomst.
Ik werd gedwongen de beker des toorns te drinken.
Ik werd gedwongen tegen mezelf in opstand te komen.
De vorsten en geweldenaren kwamen tevoorschijn en wapenden zich tegen mij.
...
Christus, leid mij, mijn Redder, vergeet mij niet !
Werk met uw Lichtmagie en verban mijn tegenstanders, tot ik aan hen voorbijgetrokken ben.
Leid mij in uw bruiloftszaal om U te loven.
Laat mij bij de overwinnaars zijn, die de Kroon ontvangen.
71.
Zoals een vogel in een kooi, zo ben ik in het lichaam des doods.
Ik was geen dienaar van de roofvogels, die mij de vederen ontrukten.
Zij schaamden zich niet in hun boosaardigheid, terwijl ik mij spoedde naar de duiventil der Lichten.
Ziet, heden heb ik het gewaad van een reine maagd aangetrokken.
Ik bid U, mijn Geliefde, ontvang mijn zielegaven, te onzer ontmoeting.
Breng mij aan boord der Geheiligden.
Laat het, terwille van mijn ziel, haastig overvaren.
...
Ziet, zo heb ik het land des Lichts gevonden.
Ik begaf mij op de weg naar de stad der Goden.
Ik nam deel aan de gemeenschap der Gerechtvaardigden.
Terwijl ik me nog in het stoffelijk lichaam bevond.
En vol van lofprijzing was mijn mond.
72.
Straal, o ziel !
Hef u op tot de gemeenschap der goden, die gij in de aanvang verlaten hebt.
Hij zal voor u verschijnen met een aangezicht vol vreugde.
Hij zal u wassen en reinigen met zijn wonderbaarlijke dauwdruppels.
Hij zal uw voeten op het Pad der Waarheid zetten.
Hij zal u van Lichtwieken voorzien, zoals een zwevende adelaar, die in de stralende ether opwaarts stijgt.
73.
Een reidans uwer Zonen van omhoog, laat muziek weerschallen tot uw eer.
Ik draag het lichaam van aarde, de schepping van de natuur des doods, terwijl ik schouwen mag de stad des Lichts, het oord van de reidans der Onsterfelijken.
De Lichtstad, die nooit verval of vernietiging kent.
Ziet, nu ben ik met zuivere ethers gewassen.
Bevrijd ben ik van al het onreine, van al wat de materie, de hyle, toebehoort.
Want het heir des Lichts helpt mij aan alle zijden.
Zo heb ik mij bevrijd van de bittere onheilswateren, en het gelukte mij de haven te bereiken, nog voor de zee stormachtig werd.
Ik ben niet doordrenkt van de zoute wateren der aardse list.
Door het vuur der onverzadigbaarheid liet ik mij niet vangen.
Ik liet mij het juk van het aardse leven niet opleggen, met zijn zorgen en wonden, ontstaan door het gif van afgunst en hebzucht.
De wereld der droefheid, die in mijn ogen zonder waarde is, heb ik opgegeven.
Ik haast mij tot de Stad der Gerechtvaardigen.
74.
Naar links en rechts, heen en weer, op en neer, ben ik gelopen, mijn hele leven lang.
Nooit heb ik mijn vijanden toegestaan mijn lamp uit te doven.
In de machtige wedloop liep ik mee, die slechts zelden iemand volbrengt.
Ik heb deze wedstrijd tot het goede Einde gebracht.
Met jubel en gezang keer ik terug naar mijn geboorteland.
Ziet, ik ben daarbij aan het lichaam des doods ontstegen.
75.
Ver van de wereld zoch ik mijn toevlucht.
Ik begaf mij op de Weg naar de Vader, die groter is dan hemel en aarde.
Ik verborg mij niet voor U, mijn God.
De wil des vlezes deed ik niet, opdat Gij mij niet verlaten zoudt in het uur van benauwenis.
Want de dingen dezer wereld gaan voorbij.
Zij lessen de dorst der ziel niet.
Het leven van de mens is slechts een uitdovende lamp.
...
Toen ik deze dingend wenend tot mijn Redder sprak, riep Hij me toe :
“Kom, vurige vriend, neem de Lichtkrans !”.
Wie kan het begrijpen, mijn broeder, dat ik nochtans terugkeer naar de aarde, om aan alle mensen de boodschap te brengen van de heerlijkheid, die ik heden mocht ontvangen ?
76.
Ik heb geworsteld tot ik aan de arglist kon ontkomen.
Ik leverde mij niet uit aan de honden van het vuur.
Wijken moesten de 7 krachten der verschrikkelijke demonen, en hun vuile klauwen bleven leeg.
Met woede en ontgoocheling was hun hart beladen, daar zij met de netten van hun lust mij toch niet konden vangen.
O Redder, Zoon van God, neem mij haastig tot U !
Was mij in de dauw van uw heerlijke zuil van Licht.
Rechtvaardig is uw oordeel : er is daarin geen aanzien des persoons !
77.
Ik heb herkend en begrepen dat wat is, en dat wat zal zijn.
Dat wat sterfelijk, en dat wat onsterfelijk is.
De Koning des Lichts : de Levensboom ;
de macht der duisternis : de Boom des doods.
De wet der donkerheid heb ik achter mij gelaten.
De wet des Lichts nam ik aan.
Gij, goden en engelen, u groet ik !
Gij, die leeft in het land des Lichts.
De leeuw die in mij is, heb ik gewurgd.
Ik heb hem van mijn ziel verwijderd opdat ze niet opnieuw door hem bezoedeld kan worden.
Ik ondernam de overtocht over een woelige zee.
De valstrikken des doods heb ik overwonnen.
Glorie en zege zij de Parakleet, onze Mani.
78.
Heil u, o ziel, die de strijd al jubelend hebt beëindigd !
Gij zijt aan het hol van de leeuw ontkomen ; aan de woning der rovers ; aan dit lichaam des doods, dat door allen wordt beweend.
De zee en haar golven hebt gij overwonnen door uw geloof.
De monsters daarin verborgen, die uw schip wilden verzwelgen, hebt gij overweldigd tijdens uw koers.
Zij kenden u niet, noch verstonden zij u.
De kracht der zonde kreunt, daar gij haar zo plotseling zijt ontkomen.
Want de dwaling hebt gij niet gevolgd, en het vuur van haar demonen hebt gij met toenemende deugd neergeslagen.
Gij hebt hen wel beschaamd, zij die hun vallen zetten en u wilden vangen.
Gij hebt hun netten opgerold.
Nu zijn zij verwonderd over de schoonheid uwer vleugels, daar gij opstijgt met de kracht van een adelaar, tot de duiventil der vrijheid.
79.
Tot U zing ik, o Christus !
Aan de natuurwet van het Lot ben ik ontkomen, een wet die geen zaad der bevrijding in zich draagt, maar steeds vernietiging en verval bewerkt.
De ziel, zonder trots, zonder aanzien, zonder roem en zonder gunst, behaalt geen enkel voordeel in de tijdruimte van de angst.
Alle dingen, die in de ogen van de wereld zo belangrijk zijn, hun roem verbleekt, en zij gaan voorbij.
Aan deze wereld van de waan ben ik ontkomen !
Verleen mij slechts uw genadegaven, o Gij, vol erbarmen, opdat ik naar de aard van het ware Leven vermag te leven.
In stilte werd mij de krans der goden opgezet.
Mijn rechterhand is schoon geworden, sinds zij de onverwelkbare palm heeft ontvangen.
De leeuwenvellen die mijn leden bedekten, wierp ik van me af.
In de plaats daarvan heb ik een heilig gewaad ontvangen.
Mijn mond is vervuld van lofprijzing voor de volheid van uw Goedheid.
80.
Het lam is het glorievolle lam, de eeuwige jeugd, de Zoon van het Morgenrood.
Ik zocht, ik heb gevonden.
Ik vond de haven.
De haven is het heilige Gebod.
Ik zette mijn voet op het Pad.
Het Pad is de kennis van God, de Gnosis.
Ik vond de schepen.
De schepen zijn Zon en Maan.
Zij varen mij over, naar mijn Stad.
Ik vond een gewin, dat geen verlies kent.
Ik vond een vreugde, die geen droefheid kent.
Ik jubel.
Ik jubel voor immer en altijd.
81.
Zie, het Pad des Lichts ligt vóór mij uitgestrekt, tot aan mijn eerste Stad, het oord van oorspronkelijke herkomst.
De deuren des hemels hebben zich voor mij geopend door de straling van de Verlosser en zijn Lichtgestalte vol heerlijkheid.
Het oude kleed, het kleed van het verval, heb ik op aarde achtergelaten.
Het onsterfelijke Gewaad heb ik aangetrokken.
Zet mij over, o vredevolle ark van Licht, van Zon en Maan, over deze 3 aardesferen, naar mijn geboorteland van Licht.
O, ongewone worsteling waarin ik streed !
O, dat mijn strijd een gelukkig einde vinden moge !
O, eeuwige rijkdom !
Een heilige Bruid in uw Bruidsvertrek des Lichts ben ik geworden.
82.
Broeders, ik heb mijn stralenkrans ontvangen !
Mijn Bruidegom heeft mij het Bruidsvertrek ingeleid.
Ik was met Hem in het land der Onsterfelijken.
Mijn Land heb ik aanschouwd.
Mijn vaderen heb ik teruggevonden.
De goddelijken en de Eonen des Lichts hebben mij met jubel welkom geheten.
Broeders, ik heb mijn stralenkrans ontvangen !
Ik was als een schaap dat zijn herder zocht.
Ik heb mijn ware herder gevonden.
Hij bracht me naar mijn kudde terug.
De strijd heb ik tot het einde toe gevoerd.
Mijn schip heb ik aan land gebracht.
Geen storm kon het overweldigen, geen golf kon het verslinden.
Door stilte gegrepen en overweldigd, zat ik slechts vol eerbetuiging voor de genade van mijn Vader.
Broeders, ik heb mijn stralenkrans ontvangen !
Eer ik het schip der Waarheid vond, stevende ik de ondergang tegemoet.
Jezus werd mijn goddelijke reddingslijn.
Wie zou het vermogen over de genade te spreken die tot mij kwam ?
Broeders, ik heb mijn stralenkrans ontvangen !
83.
Verlaat mij niet, mijn Koning, want Gij kent mijn hart !
Ik ontvlood de wachters der stad, met losse haren zoals een waanzinnige vrouw, en vroeg iedereen die ik ontmoette :
“Wie kan mij nieuws vertellen over Mani, mijn Herder, en mij zeggen hoe hij in deze goddeloze stad werd gedood ? Door wilde dieren, die het gif der begeerte tot woede werden gedreven ?”.
Ik heb van u gehoord, gij magiërs van het vuur, dat gij mijn Heer in vuile handen gevangen houdt, gij Judasbroeders vol van haat.
Donker smeult het vuur in jullie harten en spoorde jullie aan, tot jullie de gerechtvaardige van God, de gezondene, hadden vermoord.
Mijn God, dit zijn de misdaden van boosaardige mannen.
Dit is de weg die leidt naar de hel.
Geen dier heb ik zo gebrandmerkt gezien als mensdieren.
Geen vuur heb ik gezien, zo duister woedend als in deze harten.
Zij schreeuwden tot de goddeloze rechter met leugenwoorden :
“Een mens is verschenen die tegen ons strijdt, en onze meningen in de wind slaat. Eenparig smeken wij u, o koning, ruim hem uit de weg ! Want hij is een leraar die het volk misleidt”.
Toen de koning, de dwaze onheilsbrenger, de woorden van deze erbarmingslozen hoorde, was hij kwaad en liet lijn Herder roepen, en zei met grimmige heersersstem :
“Wie liet je deze dingen doen ? Wie ben jij ? Jij doet dingen die schade berokkenen aan alle mensen”.
De glorierijke rede van mijn Herder antwoordde :
“Weet, koning, dat God mij tot de mensen gezonden heeft als één die de wet van het ware Leven kent en naleeft, en de volmaakte geboden van de Christusgeest dient”.
De koning schreeuwde op barse toon :
“Zeg mij eens, hoe God aan jou zou willen verschijnen ! Je bent een zonderling wezen. Je bent een arme man, zonder stand. Je beweert een Zon des Lichts te zijn en je verstout je zo te spreken, alsof God aan jou alleen deze gunst en onuitsprekelijke gave had verleend”.
“Zij die van God komen, zoeken niet naar goud, en streven niet naar de bezittingen van deze wereld. Er bestaat voor hen geen andere dan de goddelijke Wet. God onderwijst diegene die Hem vreugde verschaft. Hij verleent hem een vermogen dat alle aardse vermogens overtreft, als het teken van een profeet die uit God is voortgekomen, een waarachtige man Gods, in woord en daad”.
De strijdzuchtige koning tierde in vlammende toorn en beval zijn mannen de gerechtvaardigde in boeien te slaan, ook om de magiërs een genoegen te doen, de Perzische schriftgeleerden, de aanbidders van het vuur.
Op deze wijze spraken zij recht over de zegevierende Engel en Parakleet.
Hoeveel verschrikkelijke dagen, mijn Vader, moest Gij verdragen, tot de scheiding door de mannen van het vreselijke ras voltrokken was ! 26 dagen en nachten hebt Gij in Belapat geketend doorgebracht !
Roemvolle Zoon uit de Eonen des Lichts !
Edel evenbeeld der goddelijke Mysteriën !
Handen, die aan zovele zielen de vrijheid hebben verleend !
Handen, die nu zijn geboeid met ijzeren ketenen !
Tot wie moet ik nu gaan, opdat hij deze erbarmingsvolle handen voor mij moge bevrijden ?
...
Over deze wereld des doods hebt gij uw jubelende vleugels verheven.
Eerst hebt gij gebeden tot het Licht der Lichten, uw Vader.
Daarna hebt gij uw dode lichaam voor de voeten van uw vijanden geworpen.
In de blindheid van zijn woede wilde de koning de schoonheid van uw leden vernietigen.
Gij zijt waarlijk zonder belemmering opgestegen tot de hoogste Lichtsferen.
De koning echter, door moorddadige demonen overschaduwd, sprak :
“Misschien is er een toverkruid waarmee hij zich bovenaardse krachten toeëigende”.
Hij beval de artsen Uw lichaam te openen en te onderzoeken.
Uw heilige lichaam, waartegen hij, vol hoon, een gemeen komplot smeedde.
Hij liet vuur aanmaken in een grote
...
...
Op de tweede dag der week hebt Gij de glorie van uw overwinning ontvangen.
Gij mocht u kronen met de diadeem der zegepraal.
Want op de berg Phamenoth hebt Gij het ras der duisternis overwonnen.
De vierde dag, maandag, hebt Gij uw koninklijk gewaad teruggekregen.
O mijn Vader, overwinnaar in de strijd, wees mij genadig.
Getuige der verheven zegeningen van de hoogste Christus, Zegel der ziel, wiens roep zich over de wereld verspreidt, Gij zijt waardig de Kroon te ontvangen, Vader !
“Mani’s gebed in zijn stervensuur.
O mijn Vader, zie, in boeien ben ik geklonken !
O mijn Vader, eerste Manas, hoor mijn stem !
Hoor mij in mijn benauwenis aan !
Dat alle omhulsels en sluiers mogen vallen door mijn smekende gebed.
Christus roep ik aan met zijn Naam.
Alle engelen in hun eer en glans, uw namen roep ik aan : bevrijdt mijn Geest uit zijn gevangenis !
Neemt van mij weg het kleed der droefenis, en geleidt mij uit deze wereld.
O mijn Vader, o Oermanas, open op mijn smeken de deur, door welke mijn klacht de Bovennatuur bereikt ; verhoor het, Jonkvrouw des Lichts, hoort mijn stem, o gij engelen !
Hoort de stem van mijn smekende bede, en maakt mij los van mijn ketenen.
Voor uw Aangezicht werp ik mij neder, want ik kom nader tot uw verheven plaats, o Rechter van alle werelden !
Hoor het gebed van de gerechtvaardigde aan, tot U smeek ik uit alle kracht.
O, Vader der in Waarheid eenzaam geworden zielen, en Echtgenoot der treurende weduwe, o voorbeeld van heilig streven, verhoor de stem van de gekwelde.
O Jezus, mijn stralende Verlosser, volmaakte Mens, Jonkvrouw des Lichts, uit de afgrond verheft zich mijn ziel tot U omhoog.
Beschaamt de haters door uw trouw, want Gij heb tmij gezonden naar dit oord van duisternis.
O, geestelijke macht der Grootheid, wezenheid des Lichts, trek mijn Geest uit de diepte en mijn ziel uit de afgrond omhoog.
Want het door U geschapen lichaam werd temidden van deze wereld vernietigd, onder de vervolgingen die ik vanaf mijn kinderjaren doorleed om Uwentwil.
Moge uw grote Kracht tot mij komen, en uw engelen, die geweldige boden, mij helpen, opdat ik over het onheil zegeviere en mijn boeien neer kan leggen en het huis aan zijn Heer kan overgeven.
Want mijn Geest heeft gestreden en is Heer geworden in het huis des lichaams.
Uit liefde voor de levende Geest heb ik mij ver gehouden van de begeerten der wereld, van mijn twaalfde jaar tot op mijn oude dag.
U aanroepend in mezelf, met uw grote Naam, heb ik mijn Zelf gevonden.
Hoor de stem van uw gezant in deze wereld.
Ik aanschouw U in uw Heerlijkheid.
Ik ga in het land des Lichts.
Gij zijt het die ik roep : erbarm U over mij !
Antwoord mij, mijn Levensschenker !
Red mijn ziel uit alle pijn”.
En zijn stem werd verhoord door de Koning der Liefde, die hem gezonden had.
Zijn lichaam begon zich op te lossen.
Biddend bewoog zich zijn gestalte.
Zijn aura begon zich te veranderen.
Zijn verschijningsvorm wijzigde zich.
En lichten kwamen over zijn aangezicht, zijn gestalte, en zijn leden.
De leden van zijn lichaam losten zich op ; zijn lichaam geleek een wankelend huis, een kleed dat wordt verscheurd.
Het neeg zich naar de aarde.
Hij voleindigde zijn gebed.
Zijn ogen werden verblind ; tranen liepen in stromen.
Hij sprak met Hem, de Koning der Liefde, die de stem van zijn smeken had verhoord.
De volmaakte Mens trad op hem toe.
De Jonkvrouw des Lichts kwam, en de boden des Lichts : zij naderden in een reidans om zijn grote ziel opwaarts te leiden.
Boven het hoofd van de Gerechtvaardigde was het Woord dat hem omhoog voerde naar de sferen des Lichts.
Christus is het, die hem tegemoet snelt.
De gezant des Lichts keert terug naar huis.
Uit de stormachtige zee komt de Lichtparel naar boven.
84.
Wij overhandigen U heden onze roos, als een vruchtvoortbrengende boom, opdat zij ons moge worden tot een stralenkrans, die Gij ons op het hoofd mocht plaatsen.
Gij hebt u aan de vijand en aan de dood overgegeven om ons, door uw vergoten bloed, te redden van de machten der duisternis.
Ook wij geven ons over aan uw Koninkrijk !
Gij hebt ons alles nagelaten, om in de zuivere Geest der Waarheid bescherming te vinden.
Gij hebt ons van uw Koninkrijk de spiegel gebracht, waarin wij het universum kunnen schouwen.
Verleden, heden en toekomst, alles hebt Gij ons doen kennen.
85.
Gij werd verlost van de jammerlijke ketenen van het vlees ; Gij werd gekroond boven al uw tegenstanders.
Het stralende aangezicht van Christus : gij zult het nu ten volle bezitten.
Zo, ga dan zegevierend uw weg naar de stad des Lichts.
Verheug u, want ge hebt u met de heilige engelen verbonden.
Het zegel der stralende reinheid is op u aangebracht.
Vol jubel zijt gij, want gij hebt uw goddelijke broeders gezien, met wien gij voor altijd leven zult in het Licht.
De heerschappij van het vlees hebt gij haastig achter u gelaten : opgestegen zijt gij zoals een vluchtige vogel in de ether der goden.
Bevrijd hebt ge u uit het zielenvangnet, de Hades van de doden.
Zo zullen zij u niet meer kunnen dwingen de Eonen der duisternis te dienen.
Het gewaad der ziekte hebt gij op de aarde geworpen.
De aanmatigende trots, die wreedaardig is en vol bedrog, hebt gij onder uw voeten vertrapt.
De bittere pijlen der lust, die moordenares des ziel, hebt gij niet gesmaakt, gij die onberispelijk zijt.
Gij hebt de gedrochten van het vuur te schande gemaakt.
De rivieren der verschrikking verstarren verbaasd.
...
Geroepen zijt gij heden om met de engelen te leven.
Want gij hebt het land der doden, de Hades, verlaten.
Gij hebt het oord bereikt waar noch warmte, noch koude, noch honger noch dorst bestaat.
Gij zijt waardig het Paradijs der goden, die u niet verhinderen te jubelen, en de Allerhoogste te loven en te prijzen.
Gij hebt overwonnen, Mani.
Ook hebt gij de overwinning aan hen gegeven, die hun streven naar God bewezen hebben : uw gelovigen en uitverkorenen, en de ziel der gezegende Maria.
86.
De 12 apostelen waren een krans voor de Amen.
“Laat ons naar de Olijfberg gaan, opdat ik u over de glorie van de Amen spreke”.
Amen antwoordden zij en Hij sprak tot hen over zijn Mysterie :
“Ik werd gegrepen en toch werd ik niet gegrepen.
Ik werd veroordeeld en toch werd ik niet veroordeeld.
Ik werd gekruisigd en toch werd ik niet gekruisigd.
Ik werd doorboord en toch werd ik niet doorboord.
Ik heb geleden en toch heb ik niet geleden.
Ik ben in mijn Vader, doch mijn Vader is ook in Mij.
Gij Vader, wenste de vervulling van de Amen : dus heb ik de wereld overwonnen.
Doch de wereld kon mij niet overwinnen”.
Glorie zij de Amen, de Vader der Grootheid.
(bron : Rozekruis Pers)
15:55
Gepost door marcus
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
05-12-09
68. Nag Hammadi VII.5
____________________________________________________________________________________________________
Drie stèles van Seth.
De openbaring door Dositheüs van de drie stèles van Seth, vader van het levende en onwankelbare geslacht, zoals hij die had gezien en verstaan. En zoals hij deze hymnen gelezen had, herinnerde hij ze zich weer, en droeg ze over aan de uitverkorenen, precies zoals ze daar geschreven stonden. Vele malen heb ik met de Krachten deelgenomen aan deze lofprijzingen, en ben ik de onmetelijke Grootheden waardig geworden. En zij luiden nu als volgt :
De eerste stèle van Seth.
Ik loof u, Vader Ger-Adamas, als uw eigen zoon, Emmacha-Seth, die gij hebt voortgebracht zonder verwekking tot eer van onze God. Want ik ben uw eigen zoon en gij zijt mijn bewustzijn, mijn Vader. En ik, ik zaaide en verwekte, maar gij, gij hebt de Grootheden gezien. Gij staat onveranderlijk opgericht. Ik loof u, Vader, zegen mij. Dankzij u besta ik, dankzij God bestaat u, dankzij u ben ik Hem nabij. Gij zijt Licht, gij ziet Licht, gij liet Licht verschijnen. Gij zijt Mirotheas, gij zijt mijn Mirotheos. Ik loof u als Godheid, ik eer uw goddelijkheid.
Groot is de Goede, de Zelfverwekte, die staat, de Godheid die van aanvang af staat. Gij zijt in goedheid gekomen, gij zijt verschenen en gij hebt uw goedheid geopenbaard. Uw naam zal ik uitspreken want gij zijt een Eerste Naam. Gij werd niet gebaard, gij hebt uzelve geopenbaard om de eeuwige wezens te openbaren. Gij zijt hij die werkelijk is, en daarom hebt gij hen die waarlijk zijn, geopenbaard. Gij zijt een woord door een stem uitgesproken, maar verheerlijkt zijt gij door het bewustzijn. Omdat gij heerschappij hebt over alle gebieden, daarom kent zelfs de waarnemmbare wereld u.
Vanwege uzelf en omwille van mijn zaad zijt gij barmhartig. Gij zijt van een andere afkomst en gij gaat elk ander geslacht te boven. Nu zijn ook zij van een andere afkomst en gaan elk ander geslacht te boven. 'Gij zijt van een andere afkomst' betekent : gij kent uw gelijke niet. 'Gij zijt barmhartig' betekent : gij zijt eeuwig. 'Gij gaat elk ander geslacht te boven' betekent : gij zijt het die al dezen hebt laten groeien. 'Omwille van mijn zaad' betekent : gij weet dat het zaad verblijft in het domein van voortplanting. 'Zij zijn van een andere afkomst" betekent : zij kennen hun gelijken niet. 'Zij gaan elk ander geslacht te boven' betekent : zij wonen in het Leven.
Gij zijt Mirotheos. Ik loof zijn kracht die mij gegeven is, Hij die de mannelijkheden, die waarlijk bestaan, driewerf mannelijk heeft gemaakt, Hij die verdeeld is in het Vijftal, Hij die ons in drievoudige kracht gegeven is, Hij die vortgekomen is zonder te zijn gebaard, Hij die is uitgegaan van de Uitverkorenheid, en vawege het vernederde naar het Midden is gegaan. Gij zijt Vader uit Vader, Woord afkomstig uit een decreet. Wij loven u, o driewerf mannelijke, want gij hebt het Al uit hen allen bijeengebracht, want gij hebt ons kracht geschonken. Uit de Ene zijt gij opgestaan, van de Ene zijt gij uitgegaan, naar de Ene zijt gij weergekeerd. Gij hebt gered ! Gij hebt ons gered ! O gij gekroonde, o gij die kroont !
Wij loven u eeuwig, wij loven u, wij die gered zijn. Wij zijn volmaakte individuen, volmaakt dank zij u, wij die volmaakt worden in u, u die volkomen bent, u die volkomen maakt, u die volmaakt bent door al dezen, die overal gelijk bent. O driewerf mannelijke, gij staat, gij zijt de eerste die staat. Gij zijt over alle plaatsen verdeeld en toch blijft gij Eén. Al wie gij gewild hebt, hebt gij gered, en gij wilt ook dat allen worden gered die waardig zijn. Gij zijt volmaakt ! Gij zijt volmaakt ! Gij zijt volmaakt !
De tweede stèle van Seth.
Groot is de eerste Eon, Barbelo, mannelijke maagd, de eerste heerlijkheid van de onzichtbare Vader, zij die de volmaakte wordt genoemd. Gij hebt van aanvang af gezien dat de ware Preëxistente een Niet-wezen is, en uit Hem en door Hem zijt gij eeuwig preëxistent, een niet-wezen. Afkomstig uit de Ene ongedeelde Driemacht zijt gij en Driemacht. Gij zijt een grote Monade afkomstig uit een zuivere Monade, en gij zijt een uitverkoren Monade, de oorspronkelijke schaduw van de heilige Vader, Licht uit Licht.
Ik loof u, Voortbrengster van het volmaakte, Schepster van eonen. Gij hebt gezien dat de eeuwige wezens voortgekomen zijn uit een schaduw. Gij hebt u vermenigvuldigd en toch zijt gij één ; en door u te verdelen, zijt gij talrijk geworden, en toch zijt gij drievoudig. Ja, gij zijt waarlijk drievuldig en gij zijt Eén uit Eén. En afkomstig uit Zijn schaduw zijt gij de Verborgene. Gij zijt een wereld van kennis, en gij weet dat zij die aan de Ene toebehoren, uit een schaduw zijn voortgekomen en in hun hart de uwe zijn.
Omwille van hen hebt gij de eeuwige wezens bekrachtigd in het zijn. Gij hebt het goddelijke bekrachtigd in het leven. Gij hebt het weten bekrachtigd in goedheid. Gij hebt bekrachtigd in gelukzaligheid de schaduwen die van de Ene zijn uitgevloeid. Gij hebt de ene bekrachtigd in weten ; gij hebt de ander bekrachtigd in scheppen. Gij hebt bekrachtigd wie gelijk is en wie ongelijk, wie zijn gelijke kent, en wie zijn gelijke niet kent. Gij hebt per soort en vorm bekrachtigd in het bestaan tot anderen ... en soort. Gij hebt hen bekrachtigd. Ziedaar wat in hun hart verborgen is.
En gij zijt tot hen uitgegaan en van hen weergekeerd, en zijt onder hen verdeeld. En gij zijt een groot mannelijk Bewustzijn, een eerste Openbaring geworden, o vaderlijke God, goddelijk kind, verwekker van een menigvuldigheid volgens verdeling van allen die waarlijk zijn. Gij zijt als Woord aan allen geopenbaard en gij omvat allen in een toestand van ongeboren zijn en in eeuwigheid, ongeschonden. Dankzij u is het heil tot ons gekomen ; uit u komt het heil voort. Gij zijt wijsheid en gnosis, gij zijt waarheid. Dankzij u bestaat het leven ; uit u komt het leven voort. Dankzij u is het bewustzijn ; uit u komt het bewustzijn voort. Gij zijt bewustzijn, gij zijt een wereld van de waarheid. Gij zijt een Driemacht, gij zijt drievuldig waarlijk, gij zijt drievoud. O Eon der Eonen, gij alleen ziet in zuiverheid de eerste eeuwigen en onverwekten. De eerste verdelingen zijn die waarin gij u hebt verdeeld. Verenig ons, zoals gij verenigd zijt. Onderricht ons wat gij ziet. Geef ons de kracht om te worden gered voor het eeuwig leven. Want wij zijn ieder een schaduw van u, zoals gij een schaduw zijt van de eerste Preëxistente. Hoor ons : wij zijn de eerste Eeuwigen. Hoor ons, als volmaakte individuen. Gij zijt de Eon der Eonen, de volkomen Volmaakte, die gegrondvest is. Hoor ! Hoor ! Red ! Red ! Wij danken u. Wij loven u te allen tijde. Wij zullen u verheerlijken !
De derde stèle van Seth.
We verheugen ons ! We verheugen ons ! We verheugen ons ! We hebben gezien ! We hebben gezien ! We hebben Hem gezien die de ware Preëxistente is, die waarlijk bestaat, die de eerste Eeuwige Ene is. O Onverwekte, uit u komen de eeuwige wezens en de eonen voort, de volkomen volmaakten die gegrondvest zijn en de volmaakte individuen. Wij loven u, Niet-wezen, bestaan dat elk bestaan voorafgaat, Voor-wezen dat voor alle wezens bestond, Vader van goddelijkheid en leven, schepper van bewustzijn, schenker van het goede, schenker van gelukzaligheid. Wij allen loven U, Gij die alle kennis bezit, in een heerlijke lofprijzing. Gij, dankzij wie al dezen bestaan. Gij ... werkelijk ... die U alleen door Uzelve kent. Want niemand was vóór U werkzaam. Gij zijt louter levende Geest en kent de Eenheid, want deze Eenheid als geheel de Uwe. Wij zijn niet in staat hem uit te spreken, want Uw licht schijnt op ons. Beveel ons U te zien om te worden gered, want kennis van U is ons aller redding. Beveel ! Beveel slechts, en wij zullen gered zijn. We zijn waarlijk gered. We hebben U in ons bewustzijn gezien ! Gij zijt allen, want Gij redt allen, Gij die niet zelf hoeft gered te worden, noch het nodig heeft door hen gered te zijn. Want Gij, Gij hadt ons bevolen ! Gij zijt Eén ! Gij zij Eén zoals tot U gezegd wordt : 'Gij zijt Eén, Gij zijt één enkele levende Geest'. Hoe kunnen wij U een naam geven ? We hebben die niet. Want Gij zijt het bestaan van het Al, Gij zijt het leven van al dezen, Gij zijt het bewustzijn van hen allen, Gij in wie hun aller vreugde is.
Gij hebt hun allen bevolen gered te worden door Uw woord ... hen de enkelvoudige heerlijkheid die hem voorafgaat. O Verborgene ! O Gelukzalige ! Senaon, die zichzelf heeft verwekt. Asineüs, Mephneüs, Optaon ! Elemaon, grote kracht, Emuniar ! Nibareüs, Kandephorus, Aphredon ! Deïphaneüs, gij die Armedon voor mij zijt, krachtverwekker, Thalanatheüs ! Antitheüs ! Gij die in Uzelve bestaat, Gij die Uzelf voorafgaat, buiten U is er niemand werkzaam geworden. Hoe kunnen wij U loven ? We missen het vermogen daartoe. Maar we danken U deemoedig, jegens U, omdat U ons opgedragen heeft - als Hij die uitverkoren is - U te verheerlijken, zoals in ons vermogen ligt. Wij loven u omdat we gered zijn, voor altijd loven wij U. Hierom zullen wij U loven, opdat we tot eeuwig heil worden gered. We hebben U geloofd omdat we daartoe de kracht hebben. We zijn gered omdat Gij dit altijd hebt gewild ! We hebben dit alles volbracht ! ...
... degene die was ... wij en hen die ... . Wie zich deze drie herinneren zal, en te allen tijde lof zal brengen, zal volmaakt onder de volmaakten worden en onaangedaan alles te boven zijn. Immers, allen reciteren deze lofprijzingen individueel én gezamelijk. En daarna nemen zij stilte in acht. En zoals voor hen is vastgelegd, zullen zij opgaan en - na de stilte - vanaf de derde weer neergaan, de tweede lofprijzing reciteren, en daarna de eerste. De weg van opgaan is de weg van neergaan.
Weet daarom, jullie levenden, dat jullie het einddoel bereikt hebben wanneer je jezelf kennis van de Oneindige hebt bijgebracht. Verwonder jullie over de waarheid die hierin ligt en over deze openbaring. De drie stèles van Seth.
Dit boek is een vaderlijk goed. De zoon heeft het geschreven. Zegen mij, Vader. Ik loof U, Vader, in vrede. Amen.
08:28
Gepost door marcus
in Algemeen |
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
23-11-09
69. Nag Hammadi VIII.1 : Zostrianus
___________________________________________________________________________________________________________
Het roemrijke boek met de orakels van degene die eeuwig leeft, dat ik, Zostrianus, toen ik in de wereld verkeerde, schreef - ... en Iolaos - ten behoeve van hen van mijn generatie, en hen die na mij komen, de levende uitverkorenen. God leeft ! Ik ... de waarheid met waarheid en kennis en eeuwig licht.
Nadat ik afstand gedaan had van het lichamelijk duister in mij, van de psychische chaos in mijn bewustzijn, en van mijn vrouwelijk verlangen in de duisternis, maakte ik hier niet nog eens gebruik van. Nadat ik het oneindige aspect van mijn stof had ontdekt, en de dode schepping in mij en de goddelijke wereldheerser van de waarneembare wereld had afgewezen, verkondigde ik krachtig het Al aan hen die vreemde delen bezitten.
Ofschoon ik enige tijd hun wegen probeerde te bewandelen - nadat de noodzaak van geboorte me tot de zichtbare wereld had gebracht - was ik hier nooit ingenomen mee. Integendeel, ik hield me hiervan op afstand, omdat ik tot bestaan was gekomen door een heilig decreet. Toen ik - een gemengd wezen - mijn zondeloze ziel in orde had gebracht, verstevigde ik mijn verstandelijke vermogens en ... in de ... van mijn God ... . Terwijl ik ... deed, groeide ik sterk in een heilige Geest, sterker dan de demiurg.
Het kwam over mij alleen, toen ik mezelf in orde bracht, en ik aanschouwde het volmaakte kind ... . Met hem die vele malen en op vele manieren ... verscheen hij me als een liefhebbende vader, toen ik de manneljke vader zocht van allen die zich bevinden in gedachte, waarneming, vorm, ras, en gebied, in een Al dat bedwingt en bedwongen wordt, in een lichaam en toch zonder lichaam, in essentie, stof, en hen die tot dit alles behoren. Met hen en de goddelijk ongeboren Kalyptos, en de kracht in hen allen, is het dat Existentie wordt gemengd.
Over existentie gesproken : hoe komen de levenden die afkomstig zijn van de eon der bestaanden, voort uit een Onzichtbare, Ongedeelde, en Zelfverwekte geest ? Zijn zij drie ongeboren beelden, die een oorsprong hebben, superieur aan existentie ? En bestaan zij vóór al deze geestelijke wezens, en zijn zij toch deze wereld geworden ? Hoe kunnen dezen die hieraan tegengesteld zijn en al deze geestelijke wezens ... ? ... en een excuus ? Wat is zijn plaats ? Wat is zijn oorsprong ? Hoe kan degene die uit hem is ontstaan, tot hem en al de geestelijke wezens behoren ? Hoe kan hij als een enkelvoudig wezen bestaan, als hij van zichzelf verschilt en als existentie, vorm, en gelukzaligheid bestaat ? Schenkt hij leven door levende kracht ? Hoe is de onbestaande existentie voortgekomen uit een kracht die wèl bestaat ?
Ik overwoog hoe ik deze zaken zou kunnen begrijpen, en, naar het gebruik van mijn geslacht, bleef ik deze vragen dagelijks opdragen aan de god van mijn vaderen. Hen bleef ik allen prijzen, want mijn voorvaderen en vaderen zochten, en hebben gevonden. Voor mezelf hield ik niet op met zoeken naar een rustplaats, mijn geest waardig, waar ik niet aan de waarneembare wereld gebonden was. Toen, terwijl ik zeer gekweld en neerslachtig was vanwege het kleine dat me in mijn hart omgaf, dorst ik vermetel te handelen en mezelf uit te leveren aan de wilde beesten der wildernis voor een gewelddadige dood.
Meteen stond daar de engel
10:59
Gepost door marcus
in Algemeen |
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
19-11-09
67. Nag Hammadi VII.3, VII.4
___________________________________________________________________________________________________
VII.3. Openbaring van Petrus.
Toen de verlosser in de tempel zat, in het binnenste gedeelte van het gebouw in de straal van de tiende zuil, en hij rustte boven in de gemeenschap van de levende onvergankelijkeMajesteit, zei hij tegen me : 'Petrus, gezegend zijn zij die toebehoren aan de Vader, want zij zijn hemels. Hij is het die het leven openpaarde aan hen die door mij leven. Hen die op het sterke hebben hgebouwd, herinnerde ik eraan dat zij mijn leringen in acht moesten nemen en woorden van ongerechtigheid en wetsovertreding moesten onderscheiden van woorden van gerechtigheid, aangezien die laatste afkomstig zijn van hetzelfde niveau als elk ander woord van dit pleroma van Waarheid. Zij hebben zich bereidwillig laten verlichten door hem die door de machten werd gezocht. Maar zij konden hem niet vinden, want hij stond evenmin vermeld onder enige generatie profeten.
Hij is nu onder hen verschenen, hij in wie de Zoon des Mensen tot aanschijn is gekomen ; hij die boven de hemelen verheven is in gemeenschap met mensen van hetzelfde wezen.
Wordt ook jij volmaakt, Petrus, in overeenstemming met je naam, zoals ik die voor jou heb uitgekozen. Want jou heb ik als eerste van iedereen tot gnosis geroepen. Wees daarom sterk tegenover de nabootser van gerechtigheid. Hij heeft je ertoe aangezet hem hoog te achten, vanwege het storten van zijn bloed dat hem verscheurde, als de pezen van zijn handen en voeten, en vanwege de kroning door hen van het midden en vanwege zijn lichtlichaam. Jij verloochende mij driemaal deze nacht, in de hoop voor deze dienst een beloning te ontvangen in de vorm van eer'. En toen hij dit zei, zag ik de priesters en het volk met stenen op ons afkomen alsof ze ons wilden doden, en ik was bang dat we zouden sterven. Hij zei tegen mij : 'Petrus, ik heb je vele malen gezegd dat ze blind zijn en geen leidsman hebben. Als je wilt zien wat hun blindheid is, houd dan de mouwen van je mantel voor je ogen en beschrijf wat je ziet'. Maar ik zag niets toen ik dit deed. Ik zei : 'Ik zie niets'. En weer zei hij tegen mij : 'Doe het nog een keer'.
Vrees en blijdschap kwamen over me, want nu zag ik een nieuw licht, helderder dan daglicht.Daarna daalde het neer op de verlosser. En ik vertelde hem wat ik had gezien. En hij sprak weer tot mij : 'Leg je handen op je oren en luister wat de priesters en het volk te zeggen hebben'. En ik hoorde de priesters die bij de schriftgeleerden zaten, en de menigte schreeuwde luid. Toen hij dat van mij vernam, sprak hij tot me : 'Spits je oren opnieuw en luister naar wat ze zeggen'. En weer luisterde ik ; 'U wordt verheerlijkt terwijl u zit". En toen ik deze dingen zei, sprak de verlosser : 'Ik heb je gezegd dat ze blind en doof zijn. Luister nu wat ze je in een mysterie zeggen en bewaar het in je hart'. Vertel het niet aan de kinderen van dit eon ! Want in dit eon zullen ze je lasteren omdat ze je niet kennen. Maar je zal geprezen worden waar kennis is.
Aanvankelijk zullen velen onze leer aannemen, maar daarna zullen ze zich afwenden naar de wens van de demiurg, omdat ze deden wat hij wilde. En hij zal in zijn gerechtigheid kenbaar maken wie de dienaren van zijn woord zijn. Maar degenen die omgang met hen hadden, zullen hun gevangenen worden omdat ze geen inzicht hebben. Ze leveren het zuivere oprecht goede over aan de beul. En gedurende hun regering wordt de verrezen Christus verheerlijkt. En ze prijzen de mensen die dit soort leugens verkondigen. Zij die na jou zullen komen, zullen de naam van een dood man prediken terwijl ze menen dat ze op deze wijze rein worden. Maar ze zullen nog meer bezoedeld worden.
En ze zullen op een dwaalspoor raken en in de macht komen van een slecht en sluw mens met een meervoudige leer. Ze zullen tot een dwaalleer worden geleid. Sommigen van hen zullen de waarheid lasteren en valse leringen verkondigen. En ze zullen kwaad tegen elkaar spreken. En omdat ze in de macht der archonten zijn, zullen sommigen de naam hebben afkomstig te zijn van een man en een naakte vrouw, die onderworpen is aan een veelvuldig en hevig lijden. En zij die deze dingen zeggen, zullen om dromen vragen. En als ze zeggen dat een droom is voortgekomen uit een demon, die hun dwaling waardig is, wordt hun de ondergang in plaats van de onvergankelijkheid gegeven. Het kwaad, namelijk, kan geen goede vruchten voortbrengen. Want iedere bron brengt voort wat hij is. Want niet iedere ziel is uit de waarheid, noch uit de onsterfelijkheid afkomstig. Iedere ziel van deze eon immers behoort ons inziens toe aan de dood. Zij is te allen tijde een slavin, omdat ze geschapen is voor hun begeerten en hun uiteindelijke ondergang waarin ze verkeren en waar ze vandaan komen. Die zielen minnen de scheppingen van de materie die met hen ontstond. Maar de onsterfelijke zielen zijn niet zoals zij. Maar inderdaad : zolang het uur nog niet daar is, zal de onsterfelijke ziel lijken op een sterfelijke. Zij zal haar natuur niet openbaren, want zij alleen is het die onsterfelijk is en over het onsterfelijke nadenkt. Zij heeft vertrouwen en wenst al deze dingen achter zich te laten. Want mensen vergaren - als ze wijs zijn - geen vijgen van doornenstruiken en geen druiven van distels. Ten eerste, blijft iets altijd in de toestand waarin het is. Als iets in een slechte conditie verkeert, zal het tot vernietiging en dood leiden. Ten tweede, verblijft de onsterfelijke ziel in de Oneindige Ene, in dat wat tot het leven behoort en de onsterfelijkheid waar ze op lijkt. Daarom zal alles wat bestaat, niet opgelost worden in wat niet bestaat. Want doven en blinden verbinden zich alleen met hun eigen soort.
Maar anderen zullen zich onttrekken aan slechte woorden en misleidende mysteriën. Zij die geen mysterie kunnen doorgronden, spreken van dingen die ze niet begrijpen. Zij zulen zich erop beroemen dat het mysterie van waarheid alleen bij hen is. En in hoogmoed zullen ze zo ver gaan om de onsterfelijke ziel, die een onderpand geworden is, te benijden. Want iedere vorst, heerser, of machthebber der eonen wenst met hen in de geschapen wereld te zijn opdat zij, die niet tot bestaan zijn gekomen omdat ze zichzelf vergaten, verheerlijkt zullen worden door hen die bestaan. Zonder door hen gered of op weg geholpen te zijn, wensen zij voortdurend dat zij onvergankelijke wezens zullen worden. Want als de onsterfelijke ziel kracht ontvangt van een bewustgeworden Geest, dringen zich meteen andere misleidende krachten an haar op. Maar veel strijders tegen de waarheid en boodschappers van de dwaling zullen hun wet en hun dwaling beklinken tegenover mijn zuivere gedachten. Want ze kijken slechts vanuit één gezichtspunt, denkende dat goed en kwaad uit dezelfde bron komen. Ze drijven handel met mijn woord. En ze zullen een hard lot teweeg brengen waar het ras van de onsterfelijke zielen tevergeefs in zal opgaan tot aan mijn wederkomst. Want zij zullen tussen hen in verblijven. Ik vergeef hun echter de overtredingen die ze door toedoen van de tegenstanders begingen. Ik kocht hen vrij van de slavernij waarin zij waren en ik gaf hen vrijheid. Want zij zullen een nabootsing creëren, in de naam van een dood man, Hermas, de eerstgeborene van de ongerechtigheid, opdat het werkelijke licht niet door de kleinen zou worden vertrouwd. Maar zulke lieden zijn werkers die in de buitenste duisternis geworpen zullen worden, ver weg van de zonen van licht. Want zelf zullen ze niet binnengaan, noch staan ze dat anderen toe die hun verlossing willen bewerkstelligen.
En de lijdenden onder hen menen dat ze de wijsheid in pacht hebben van de werkelijk bestaande broederschap, die een geestelijke gemeenschap vormt met degenen die uit dezelfde wortel stammen, waaruit de bruiloft van de onvergankelijkheid zal worden geopenbaard. Als een nabootsing zal het verwante ras van de zusterschap verschijnen. Zij zijn degenen die hun broeders verdrukken en tegen hen zeggen : "Hierdoor heeft onze God erbarmen want hierdoor komt de verlossing tot ons". Ze kennen de straf niet voor hen die zich vrolijk hebben gemaakt over wat ze de kleinen hebben aangedaan, die ze hebben opgespoord en gevangen genomen. Weer anderen van hen echter, die niet tot ons getal horen, noemen zich bisschop of diaken alsof ze hun volmacht van God zelf hebben gekregen. Ze buigen zich onder het gericht van de leiders. Dezen zijn als grachten zonder water'.
Maar ik zei : 'Ik ben bevreesd om wat u me daar zegt, dat er naar ons inzicht slechts weinigen niet vals zijn, terwijl er daarentegen velen zijn die grote massa's levenden zullen misleiden en temidden van hen vernietigd zullen worden. En dat ze - als ze uw naam uitspreken - zullen worden geloofd'. De verlosser zei : 'Voor een tijdsperiode die bepaald is bij de aanvang van hun dwaling, zullen ze heersen over de kleinen. Maar wanneer hun dwaling vol is, zal het tijdloze geslacht van het onsterfelijke begrip worden vernieuwd.En dan zullen de kleinen heersen over hun heersers. De wortel van de dwaling zal Hij uitrukken en ten schande maken en zal in aanmatigende schaamteloosheid ontmaskerd worden. En zulke personen zullen overanderlijk blijven.
Kom, Petrus, laten we gaan en de Wil van de onvergankelijke Vader vervullen. Kijk, degenen die het oordeel over zichzelf afroepen, komen eraan. Ze zullen zichzelf ten schande maken. Maar mij kunnen ze niet aanraken. Jij, Petrus, zal in hun midden staan. Wees niet bang vanwege je lafheid ; hun verstand zal gesloten zijn, want de Onzichtbare heeft zich tegen hen gekeerd'. Toen hij dit gezegd had, leek het of hij door hen gevangen genomen werd. En ik zie : 'Wat zie ik, Heer ? Bent u het zelf die ze gevangen nemen ? En houdt u mij vast ? Wie is degene die blij en lachend boven het kruis vertoeft ? Slaan ze op de voeten en handen van iemand anders ?". De verlosser zei me : 'Degene die je boven het kruis ziet, blij en lachend, is de levende Jezus. Maar degene in wiens handen en voeten spijkers worden geslagen, is zijn vleselijke gedaante, die hem vervangt. Zij schenden wat is ontstaan naar zijn gelijkenis. Maar kijk naar hem, en naar mij'.
Maar ik zei, toen ik had gekeken : 'Heer, niemand kijkt naar u. Laten we van deze plek vluchten'. Maar hij zei tegen me : 'Ik heb je gezegd : laat de blinden de blinden. Maar zie, ze weten niet wat ze zeggen. Want de zoon van hun heerlijkheid hebben ze, in plaats van mijn dienaar, te schande gemaakt'. En ik zag iemand dichter bij ons komen die leek op hem en op diegene die boven het kruis lachte. Hij was vervuld van zuivere geest. Het was de verlosser. En een groot onbeschrijfelijk licht omgaf hem en een menigte onzichtbare engelen prezen hem. En ik zag dat degene die eer geeft, geopenbaard werd.
En hij zei tegen me : 'Wees sterk ; want de mysteriën zijn aan jou gegeven in een openbaring opdat je weet wie ze gekruisigd hebben de erstgeborene is. Het huis van de demonen - het lemen vat waarin ze wonen - behoort toe aan Eloïm en aan het kruis dat onder de wet valt. Maar degene die naast hem staat, is de levende verlosser, die eerder in hèm was die gevangen werd genomen. En hij werd bevrijd. Hij staat verheugd te kijken naar degenen die hem gewelddadig hebben behandeld. Ze zijn verdeeld onder elkaar. Daarom lacht hij om hun onvermogen tot zien. Hij weet dat ze blind geboren zijn. Degene die lijdt, zal achterblijven, want het lichaam vervangt hem. Maar degene die bevrijd werd, is mijn onlichamelijke lichaam. Ik ben de bewustgeworden Geest die vol is van stralend licht. Degene die je naar mij toe zag komen, is ons bewustgeworden pleroma, dat het volmaakte licht verenigt met mijn zuivere geest.
Deze dingen nu, die je aanschouwde, zal je bekend maken aan hen van het andere ras, dat niet van deze eon is. Want er zal geen genade zijn in wie sterfelijk is, maar alleen in wie gekozen werd uit onsterfelijke essentie, welke heeft laten zien hem te kunnen aannemen, die uit zijn overvloed schenkt. Daarom heb ik gezegd : aan eeieder die heeft, zal gegeven worden in overvloed. Maar wie niet heeft - dat is de mens van deze plaats die geheel dood is vermits hij uit de planting van de schepping van dit geslacht is voortgekomen, die, als iets zich van het onsterfelijke wezen vertoont, denkt dat zij hem kunnen vastpakken - hem zal het ontnomen worden en toegevoegd worden aan hem die is. Wees jij dus dapper en onbevreesd, want ik zal bij je zijn, zodat niemand van je vijanden over je kan heersen. Vrede zij met je. Wees sterk !'.
Toen hij deze dingen had gezegd, kwam Petrus tot zichzelf.
VII.4. Lessen van Sylvanus.
Maak een einde aan alle kinderachtigheden en verwerf voor jezelf kracht van bewustzijn en ziel, en bind de strijd aan met iedere verdwazing van je zinnelijke hartstochten, alsook met de gemene hatelijkheid, eerzucht, twistziekte, ergerlijke jaloezie, wraakzucht, woede, en hebzucht. Bewaak jullie kamp met wapens en speren. Bewapen jezelf met al je soldaten, die de woorden zijn, en je aanvoerders, die de raadgevers zijn, en neem je bewustzijn tot innerlijke gids.
Mijn zoon, werp iedere rover buiten je poorten. Bewaak al je poorten met de toortsen die woorden zijn, en je zult je door dit alles een rustig leven verwerven. Iemand die hierop evenwel niet toeziet, zal worden als een stad die door een belegering verlaten werd, en die door allerlei wilde beesten werd platgetrapt. Want gedachten die niet goed zijn, zijn boze wilde beesten. En je stad zal vol zijn van rovers en je zult voor jezelf geen andere vrede kunnen vinden dan die met allerlei wilde dieren. De Ontaarde - die een tiran is - is meester over hen. Terwijl hij hen bestiert, zit hij in de grote modderpoel. De hele stad - die je ziel is - zal ten onder gaan. O beklagenswaardige ziel, onthoud je van dit alles ; breng in jezelf je gids en je leraar binnen. Bewustzijn is de gids, en gezond verstand is de leraar. Zij zullen je wegvoeren uit de dreigende ondergang.
Luister naar mijn raad, mijn zoon : laat je vijanden in een vlucht je rug niet zien, maar achtervolg hen liever als een dapper mens. Word geen dier dat door mensen wordt achternagezeten, maar wees liever een man die op slechte wilde dieren jaagt. Anders overwinnen ze je nog op een of andere manier, en vertrappen je als een dode, en zul je door hun boosaardigheid omkomen.
O beklagenswaardige mens, wat zul je doen wanneer je in hun handen valt ? Bescherm jezelf als je niet in handen van je vijand wilt komen. Geef jezelf over aan dit vriendenpaar : bewustzijn en gezond verstand, en niemand zal je kunnen overwinnen. Moge God in je kamp wonen, moge zijn Geest je poorten beschutten en moge een vrome gezindheid de muren ervan beschermen. Laat het heilige verstand een toorts worden in je bewustzijn, en daarin het hout verbranden waaruit heel je zondigheid bestaat. En als je dit doet, mijn zoon, zul je de overwinnaar van al je vijanden zijn, en zullen zij geen oorlog meer tegen je beginnen, noch zullen zij weerstand kunnen bieden, noch zullen zij je ooit nog in de weg kunnen staan. Want als je hen zult tegenkomen, zul je ze als steekvliegen verachten. Ze zullen met je spreken, je met vleierij bestoken en je inpalmen, niet omdat ze bang van je zijn, maar omdat ze bang zijn van wat zich IN je bevindt, namelijk de wakers van de vroomheid en de lering.
Mijn zoon, vergaar voor jezelf onderricht en lering. Vlucht er niet voor weg, maar accepteer met vreugde wat jou geleerd wordt. En als je ergens in wordt opgeleid, doe het dan goed. Je zult een kroon van kennis en ontwikkeling vlechten voor je innerlijke gids (bewustzijn). Sla de heilige lering als een mantel om je heen. Maak jezelf edelmoedig door goed gedrag. Meet je de gestrengheid van discipline aan. Oordeel over jezelf als een wijze rechter. Verwaarloos mijn leringen niet en zorg ervoor dat je niet onwetend wordt, opdat je je volk niet op een dwaalspoor leidt. Ontloop je innerlijke godheid en wijsheid niet, want hij die je onderricht, houdt veel van je. Hij zal je een gepaste ingetogenheid opleggen. Verjaag de dierlijke aanleg in je, en sta lage gedachten niet toe bij je binnen te komen. Want het zal je betamen de weg te kennen die ik je leer.
Als het al goed is het zichtbare - zoals jij het ziet - te beheersen, hoeveel beter is het dan niet dat je àlles beheerst, omdat jij verheven bent in iedere schare en ieder volk, en jij je in elk opzicht door een goddelijk verstand verheft, en jij meester geworden bent over alle machten die de ziel doden. Mijn zoon, is er iemand die slaaf wenst te worden ? Waarom kwel je jezelf dan op een verkeerde manier ? Mijn zoon, vrees niemand, behalve God de verhevene. Jaag de arglistigheid van de duivel uit je weg. Aanvaard het licht in je ogen en verjaag het duister in je. Leef in Christus en je zal een schat in de hemel verwerven. Word geen volgepropt samenraapsel van zinloze dingen, en word geen wegbereider in blinde onwetendheid.
Mijn zoon, luister naar wat ik je te leren heb dat goed en zinvol is, en maak een eind aan de slaap die zwaar op je weegt. Verlaat de vergetelheid die je vervult met duisternis. Als je namelijk niet tot iets in staat zou zijn, zou ik dit alles niet tegen jou zeggen. Maar Christus kwam om je dit geschenk te geven. Waarom jaag je dan toch het duister na, terwijl het licht tot je beschikking staat ? Waarom drink je verschaald water terwijl fris water voor je klaarstaat ? Wijsheid roept je, maar je verlangt dwaasheid. Toch doe je dit alles niet uit eigen beweging : het is de dierlijke aanleg in je, die dat doet.
Wijsheid roept je in haar goedheid en zegt : 'Komt allen tot mij, jullie dwazen. Ontvang als geschenk intelligentie die goed en voortreffelijk is. Ik geef je een hogepriesterlijk gewaad dat geweven is uit alle soorten wijsheid'. Wat anders is de kwade dood dan onwetendheid ? Wat anders is het verderfelijk duister dan vertrouwdheid met vergetelheid ?
Werp je bekommernis op God alleen. Wordt niet begerig naar goud en zilver waaraan je helemaal niets hebt, maar bekleed jezelf met de koningsmantel der wijsheid, bekroon jezelf met kennis en zetel op de troon van waarneming. Want deze behoren jou toe en je zult ze op een ander tijdstip in de hoge sferen wederom ontvangen. Want een dwaas man slaat dwaasheid om als een kleed, als een omhulsel van ellende, hij zet schaamte op en bekroont zich met onwetendheid, en hij gaat zitten op een troon van stommiteiten. Omdat hij verstoken is van verstand, leidt hij alleen zichzelf om de tuin, want hij wordt door onwetendheid geleid en hij volgt de wegen van de begeerte van iedere hartstocht. Hij zwemt in de verlangens van het leven en is erin verdronken, denkend dat hij er baat bij heeft al die nutteloze werken te verrichten.
De ellendige die dit alles meemaakt, zal sterven wegens gebrek aan een stuurman, zijn eigen bewustzijn. Want hij lijkt op een schip dat door de wind heen en weer wordt geslingerd, en op een op hol geslagen paard dat geen ruiter heeft. Want deze mens is de berijder kwijt geraakt, zijn eigen verstand. De ellendige is op het verkerde pad geraakt omdat hij geen goede raad wenste. Hij werd heen en weer geworpen door deze drie slechte zaken : hij verwierf zich de dood als zijn vader ; de onwetendheid als zijn moeder ; en slechte raadgevers als broers en vrienden. Daarom, stomkop, moet je treuren om jezelf.
Daarom, mijn zoon, keer vanaf nu terug naar je goddelijke natuur. Jaag die slechte bedrieglijke metgezellen van je weg. Aanvaard de Christus, deze ware vriend, als een goed leraar. Verjaag de dood uit je, die een vader voor je geworden is. Want de dood bestaat niet, noch zal die ooit bestaan. Maar omdat je God, de Heilige Vader, het ware Leven, de Bron van alle leven, verworpen hebt, heb je de dood als vader verkregen, en de onwetendheid als je moeder. Zij hebben je beroofd van de ware kennis. Mar keer terug, mijn zoon, naar je éérste Vader : God, en naar Sophia, je Moeder uit wie je bent ontstaan vanaf het allereerste begin, om al je vijanden - de krachten van de Tegenstander - te bestrijden.
Luister, zoon, naar mijn raad. Wees niet arrogant tegenover elke goede mening, maar kies voor jezelf de zijde van het Goddelijk verstand. Onderhoud de heilige geboden van Jezus de Christus, en je zult regeren over iedere plaats op aarde, en je zult geëerd worden door de engelen en de aartsengelen. Dan zul je hen als vrienden en mededienaren begroeten en zul je een plaats verwerven in het hemelrijk. Veroorzaak het goddelijke dat in je woont geen verdriet of moeilijkheden. Maar wanneer je het koestert, en bidt dat je geheiligd mag blijven en zelfbeheersing krijgen zowel naar lichaam als ziel, zul je een troon van wijsheid worden en zul je behoren tot de huisgenoten van God. Hij zal jou door middel van de wijsheid een groot licht geven. Maar ken allereerst je ware afkomst. Ken jezelf, weet van welke substantie je bent gemaakt, van welk ras je bent of welk geslacht. Begrijpt dat je vanuit drie oorsprongen bent ontstaan : uit de aarde, het gevormde, en het geschapene. Het lichaam van stoffelijke substantie is uit de aarde ontstaan. De gevormde 'ziel' is ontstaan uit de herinnering aan God. Het geschapene daarentegen, is het bewustzijn dat ontstaan is naar het evenbeeld van God. Dit goddelijk bewustzijn heeft waarlijk de substantie van het goddelijke, maar de ziel wordt gevormd naar het eigen hart. Ik bedoel dat de ziel de metgezellin is van dat wat naar Zijn evenbeeld is ontstaan, namelijk het bewustzijn. Materie, ten slotte, is de substantie van het lichaam dat uit de aarde is ontstaan.
Als je deze drie delen in jezelf door elkaar mengt, zul je steeds meer van eerbiedwaardigheid naar minderwaardigheid vervallen. Leef naar je bewustzijn, en denk niet aan dingen die deel uitmaken van het vlees. Verwerf kracht, want het bewustzijn is sterk. Als je nu toch daartoe vervalt, dan wordt je mannelijk-vrouwelijk. Maar als de substantie van het bewustzijn, dat wil zeggen de gedachte, uit jezelf hebt verdreven, dan heb je het mannelijke in je afgesneden, en heb je jezelf alleen tot het vrouwelijke bepaald.
Aangezien je de substantie van het gevormde ontvangen hebt, ben je psychisch geworden. Als je ook maar het geringste deel ervan verwerpt - zodat je geen menselijke aard meer hebt, maar voor jezelf een dierlijk denkvermogen en een dierlijk uiterlijk hebt aanvaard - dan ben je vleselijk geworden, want je hebt een dierlijke natuur aangenomen. Want als het al moeilijk is een psychisch mens te vinden, hoeveel moeilijker is het dan niet de Heer te vinden. En, zoals ik zeg, God is het spirituele, en het is uit de godelijke substantie dat de mens vorm heeft aangenomen. De goddelijke ziel neemt gedeeltelijk aan Hem deel, en gedeeltelijk aan het vlees. De minderwaardige ziel is geneigd zich van de een op de ander te richten. Hoe kan zij dan de waarheid verstaan ? Het is het beste voor jou, o mens, dat je jezelf eerder naar je menselijke dan naar je dierlijke aard richt, ik bedoel je vleselijke natuur. Je zult namelijk de karakteristieken vertonen van dat waarnaar je neigt. Ik zal het je nog anders vertellen. Waarvoor raak je in vuur en vlam ? Wenste jij, o ziel, dierlijk te zijn en in zo'n natuur te leven ? Neem toch liever deel aan de wàre aard van het leven ! Dierlijkheid maakt je tot een aards kind, maar je bewuste natuur zal je op spirituele wegen leiden. Richt je op je bewuste natuur en werp de aanleg van aardse oorsprong verre van je weg.
O, altijd blijvende ziel, word nuchter en schud je dronkenschap af, dat een product is van je onwetendheid. Als je doorgaat met in het lichaam te leven, dan verblijf je in grofheid. Toen je een lichamelijke geboorte inging, ben je gebaard. Maar geboren ben je in een bruidsvertrek, en daar ben je met bewustzijn verlicht.
Mijn zoon, begeef je in geen enkel water om te zwemmen, en laat je niet door vreemde vormen van kennis vervuilen. Weet je niet dat de plannen van de Tegenstrever ontelbaar zijn en zijn listen veelsoortig ? Vooral de met bewustzijn verlichte mens loopt gevaar beroofd te worden door de slimheid van de slang. Het is noodzakelijk dat je vertrouwd bent met de sluwheid van deze twee : de slimheid van de slang en de onschuld van de duif, opdat de Tegenstrever niet onder de vermomming van een vleier komt, alsof hij een goede vriend is en zegt : 'Ik zal je goede raad geven'. Maar als je hem zou ontvangen als een goede vriend, zou je zijn bedrog niet doorhebben. Want hij legt in je hart : slechte gedachten alsof het goede zijn ; hypocrisie vermomd als waarachtige wijsheid ; begerigheid in de vorm van gezonde bescheidenheid ; eerzucht als iets moois ; opschepperij en gepoch in de vorm van grote ingetogenheid ; en goddeloosheid als grote vroomheid.
Want hij die zegt : ik heb vele goden, is juist goddeloos. En hij legt valse kennis in je hart, verpakt als mysterievolle woorden. Wie zal in staat zijn zijn veelsoortige gedachten en bedriegerijen te doorgronden, aangezien hij een grote geest is voor hen die hem als koning wensen te aanvaarden ? Mijn zoon, hoe zal je dan zijn bedoelingen of zijn zieledodende plannen kunnen doorgronden ? Want zijn listen en vindingrijkheid van zijn boosaardigheid zijn inderdaad talrijk. En denk eens na over zijn toegang - de manier waarop hij jouw ziel binnenkomt - en in welke vermomming hij je zal betreden.
Aanvaard Christus in jezelf, die in staat is je te bevrijden en die de kunstgrepen van die ander heeft overgenomen om hem daarmee door misleiding te vernietigen. Want hij is jouw koning, die eeuwig onoverwinnelijk is, tegen wie niemand het waagt zich te keren of zelfs maar het woord te richten. Hij is je koning en je vader, want er niemand die hem gelijkt. De goddelijke leraar is altijd met je. Hij is een helper en hij komt je tegemoet vanwege het goede dat je in je draagt.
Leg geen kwaadsprekerij in je oordeel, want iedere kwaadspreker verwondt zijn eigen hart. Alleen een dwaas is uit op zijn eigen ondergang, maar een wijs man kent zijn weg. En een dwaas weerhoudt zich er niet van een geheim te vertellen ; een wijze, daarentegen, gooit er niet zomaar ieder woord uit : hij zal zijn gehoor in 't oog houden. Vertel niet zomaar alles in aanwezigheid van onbekenden. Maak talrijke vrienden, maar wees spaarzaam met raadgevers ; onderzoek je raadgever eerst. Waardeer niemand die vleit. Hun woorden zijn wel honingzoet, maar hun hart is vol vergif. Want telkens als ze menen dikke vrienden met je geworden te zijn, keren ze zich leugenachtig tegen je, en werpen je in de modderpoel. Vertrouw daarom niemand als vriend, want deze hele wereld is tot leugenachtigheid vervallen en iedereen beult zich vergeefs af. Alle dingen van deze wereld zijn onnuttig en werpen nutteloze vruchten af. Er zijn geen vrienden, er zijn geen broeders, want iedereen zoekt zijn eigen gewin.
Mijn zoon, neem niemand tot vriend, maar als je er toch een krijgt, vertrouw jezelf niet aan hem toe. Vertrouw alleen God, als Vader en als Vriend. Want iedereen gedraagt zich achterbaks. De hele aarde is vervuld van pijn en lijden dat nergens toe dient. Als je je leven in rust wil doorbrengen, houd je dan met niemand op. Wees God welgevallig, en je hebt niemand nodig.
Leef met Christus en hij zal je redden. Want hij is het ware licht en de zon des levens. Want zoals de zichtbare zon licht maakt voor de vleselijke ogen, net zo verlicht Christus ieder bewustzijn en elk hart. Want als een slecht iemand in het lichaam al een ellendige dood sterft, hoeveel te meer iemand die zijn bewustzijn heeft verblind. Want iedere verblinde handelt op zo'n manier dat hij beschouwd wordt als iemand die niet goed bij zijn verstand is. Hij verheugt zich er niet over het licht van Christus ontvangen te hebben, dat wil zeggen : het Woord.
Al het zichtbare is inderdaad een afspiegeling van het verborgene. Want precies zoals een vuur vanop een afstand brandend zichtbaar is, zo is het ook met de zon in de hemel waarvan alle stralen plaatsen op de aarde bereiken. Op dezelfde manier bezit Christus een enkelvoudig wezen en verlicht hij toch elke plaats. Evenzo spreekt hij over ons bewustzijn als over een lamp die brandt en de ruimte verlicht. Terwijl die in en deel van de ziel huist, verlicht die toch alle delen. Ik zal zelfs uiteenzetten dat het nog grootser is dan dit. Het bewustzijn zit namelijk, stoffelijk gezien, op één plaats in het lichaam ; maar geestelijk gezien is dit bewustzijn niet tot één plaats beperkt. Want hoe kan het op één enkele plaats zijn, terwijl het toch alle plaatsen overschouwt ?
Maar nu kunnen we spreken over iets dat nog verhevener is dan dat ; want beeld je niet in je hart in, dat God op een plaats bestaat. Als je de Heer van het Al lokaliseert op een plaats, dan moet je wel opmerken dat die plaats verhevener is dan degene die erin woont ; want hetgeen omvat, is groter dan hetgeen omvat wordt. En aangezien er geen enkele plaats is die 'onlichamelijk' kan genoemd worden, is het niet juist als we zeggen dat God een lichaam is. Want de consequentie ervan zou zijn, dat we groei en verval aan dat lichaam moeten toeschrijven, maar ook dat Hij die hieraan ondergeschikt is, niet onvergankelijk zal kunnen blijven.
Welnu, het is niet moeilijk de Schepper via alle schepselen te kennen, maar het is onmogelijk zijn aspect rechtstreeks te begrijpen. En de mens is niet de enige voor wie het moeilijk is God te begrijpen, dat is even moeilijk voor elk goddelijk wezen, de engelen en aartsengelen. Het is noodzakelijk God te kennen zoals Hij is. Je kan God niet leren kennen via iemand anders dan Christus, die het evenbeeld van de Vader bezit. Dit evenbeeld manifesteert de ware gelijkenis in overeenstemming met het gemanifesteerde. Men kent een koning meestal niet anders dan via een beeltenis.
Overweeg deze dingen over God : Hij is overal, en tegelijkertijd is Hij nergens. Wat zijn macht betreft, is Hij overal, maar wat zijn goddelijkheid betreft, is Hij op geen enkele plaats. Zo is het dan mogelijk Hem enigszins te kennen. Inderdaad vultHij met zijn macht elke plaats, maar in de sublimiteit van zijn goddelijkheid kan niets Hem omvatten. Alles is in God, maar God is in niets. Wat betekent het nu God te kennen ? God is alles wat in waarheid is. En het is even onmogelijk in Christus te kijken, als in de zon. God ziet iedereen, maar niemand ziet God. Christus - zonder misgunstig te zijn - ontvangt en geeft. En Hij is het die het licht van de Vader is en het uitstraalt zonder het iemand te misgunnen. Op deze wijze doorstraalt hij alles. En Christus is het Al, hij die het Al als erfgoed heeft ontvangen van Hem-die-is. Want het Al is Christus, zonder diens onvergankelijkheid.
Inderdaad, als je nadenkt over de zonde, is het geen werkelijkheid. Want Christus is het bewustzijn van onvergankelijkheid en hij is het licht dat onbezoedeld straalt. Ook de zon schjnt op iedere onzuivere plek, en toch wordt zij niet bezoedeld. En zo is het ook met Christus. Zeker, hij is in het tekort, maar hijzelf is zonder tekort.En zelfs hoewel hij voortgebracht is, is hij ongeschapen. Zo is het met Christus : als hij enerzijds kenbaar is, is hij anderzijds onkenbaar naar zijn ware wezen. Christus is het Al. Hij die niet het Al bezit, is niet bij machte Christus te kennen.
Mijn zoon, waag het niet over Hem met woorden te spreken, en maak God van het Al niet tot mentale beelden. Want wie ook maar één oordeel velt, zal op zijn beurt geoordeeld worden. Inderdaad, het is goed te vragen en te weten wie God is. Logos en Nous zijn mannelijke namen. Laat hem die iets over Hém wil weten, dit rustig en eerbiedig onderzoeken. Want het risico om over deze onderwerpen te spreken, is niet gering, aangezien je weet dat je geoordeeld wordt op grond van alles wat je zegt. En versta hieruit dat ieder die in duisternis verkeert niet iets zal kunnen zien, tenzij hij het licht ontvangt en daardoor zicht krijgt. Onderzoek jezelf om te weten of je het licht helemaal bezit, zodat je begrijpen mag hoe een uitweg te vinden, als je dit vraagt. Want velen zoeken in duisternis en tasten rond, verlangend te weten, en er is voor hen geen licht.
Mijn zoon, sta je bewustzijn niet toe zich naar beneden te richten, maar laat het zich liever in het licht op hoge dingen richten. Want het licht zal altijd van boven komen.Zelfs nu het bewustzijn op het aardvlak is, laat het dan hoge dingen nastreven. Verlicht je bewustzijn met hemels licht, zodat je je mag keren tot het licht van de hemel. Vermoei je niet met kloppen op de deur van het verstand, en verlies de moed niet de weg van Christus te bewandelen. Bewandel die, zodat je uitrust van je inspanningen. Als je en andere weg beandelt, heb je daar geen enkele baat bij. Want inderdaad : zij die wandelen op de brede weg, zullen uiteindelijk hun ondergang in de moddelpoel tegemoet gaan. Want de onderwereld staat voor zielen wijd open, en de plaats van de ondergang is groot. Hecht je aan Chrsitus, de smalle weg, want hij is teneergedrukt en draagt smart vanwege je zonde.
O, altijd blijvende ziel, in welke onwetendheid verkeer je toch ! Want wie is je gids in de duisternis ? Hoeveel vormen heeft Christus niet vanwege jou aangenomen ? Hij die God was, trof men als mens tussen de mensen aan. Hij daalde naar de onderwereld af. Hij verloste de nakomelingschap. Men had haar barensweeën opgelegd, zoals de Schriften van God hebben gezegd. En hij heef de onderwereld in het hart verzegeld, en zijn sterke bogen volkomen gebroken. En toen alle machten hem gezien hadden, vluchtten ze weg, zodat hij jou, ellendige, uit de afgrond kon tillen, voor je kon sterven, als losgeld voor je zonden. Hij redde je uit de sterke klauwen van de onderwereld. En jij, op jouw beurt, neemt de moeite hem je goede basiskeuze te tonen door een eenvoudig gebaar, opdat hij je met vreugde opneemt. Die basiskeuze is je geschenk aan Christus, en bestaat uit nederigheid van hart. Een berouwvol hart is een aanvaardbaar offer. Wanneer je jezelf nederig maakt, zal je buitengewoon verheven worden, maar wanneer je jezèlf verheft, zal je krachtig vernederd worden.
Mijn zoon, bescherm je tegen het kwaad en laat de geest van het kwaad je niet in de afgrond werpen ; want hij is gek en bitter.Hij is een verschrikking en hij werpt iedereen op de bodem van de modderpoel. Het is een groot en goed ding, niet van ontucht te houden en zelfs niet eens in gedachten met die verdorven zaak bezig te zijn, want erover denken is de dood. En het is voor niemand goed in de dood te vallen. Want een ziel die wordt aangetroffen in de dood, zal van zijn verstand beroofd zijn. Want het is beter niet te leven dan een dierlijk leven te leiden. Behoed jezelf te branden in de vuren van ontucht, want velen die ondergedompeld zijn in dat vuur, zijn er de dienaren van geworden, en je herkent ze niet eens als je vijanden.
O mijn zoon, leg de oude vodden van ontucht af en sla een schoon en stralend habijt om waarin je mooi zult zijn. Maar wanneer je dit kleed draagt, bescherm het dan goed. Bevrijd jezelf van elke band, om vrijheid te verkrijgen, als je de begeerte helemaal verwerpt, die vele valkuilen heeft, en wanneer je je bevrijdt van de zonden van het zingenot.
Luister, ziel, naar mijn advies : word geen nest van slangen en vossen, noch een hol voor draken en adders, geen woonplaats voor leeuwen, of wijkplaats voor basilisken. Wanneer jou dit overkomt, ziel, wat doe je dan ? Dit zijn namelijk de machten van de Tegenstrever ! Al het dode komt via hen in jou omdat hun voedsel al het dode en onzuivere is. Want wanneer die in je huizen, welk leven zal dan bij je binnenkomen ? De levende engelen zullen zich van je afkeren ; je was een tempel maar je hebt van jezelf een graf gemaakt. Stop ermee een graf te zijn en word weer een tempel, opdat rechtschapenheid en godvruchtigheid in je mogen wonen.
Ontsteek het licht in je ; doof het niet. Niemand immers ontsteekt een lamp voor wilde dieren of hun jongen. Wek het dode dat in je gestorven is tot leven, want het wàs levend, maar is dankzij jou gestorven. Geef het leven opdat het opnieuw zal leven. Want Christus is de Boom des Levens ; hij is Wijsheid. Hij is niet alleen Wijsheid, maar ook het Woord. Hij is het leven, de kracht en de poort. Hij is het licht, de engel, en de goede herder. Vertrouw jezelf aan hem toe die het Al werd omwille van jou. Klop op jezelf als op een deur en wandel op jezelf als op een recht pad. Want wanneer je die weg bewandelt, is het onmogelijk dat je afdwaalt. En als je met hem klopt, dan klop je op verborgen schatten. Want omdat hij wijs is, maakt hij zelfs de dwaas tot wijs man. De wijsheid is een heilig koninkrijk en stralend statiekleed. Want haar goud, dat jou grote heerlijkheid verleent, is overvloedig. Gods wijsheid heeft voor jou eerste een vorm van gekte aangenomen om jou - dwaas - op te tillen en tot een wijs mens te maken. En het leven is voor jou gestorven toen het machteloos was in jou, opdat het door zijn dood in jou, die dood was, leven kon schenken. Vertrouw je toe aan je verstand en houd je verre van alle dierlijkheid. Want het redeloze dier, is in je zichtbaar geworden. Velen denken inderdaad dat ze met rede begiftigd zijn, maar als je hen aandachtig gadeslaat, dan is hun taal die van beesten.
Schep vreugde uit de ware wijnstok van Christus, verzadig jezelf met de ware wijn, die noch roes noch droesem bevat. Want deze maakt een einde aan de drinkbehoefte, omdat ze bevat wat de ziel en het bewustzijn verkwikt, door de Geest van God. Maar voed eerst je verstandelijke vermogens, voordat je ervan drinkt.
Doorboor jezelf niet met het zwaard der zonde. Verteer jezelf niet, o ellendige, met het vuur der lust. Lever je niet aan barbaren uit als gevangene, noch aan woest beesten die je willen vertrappen. Want zij zijn als leeuwen die luid brullen. Wees niet een dode, opdat ze je niet vertrappen. Wees mens ! Het is mogelijk ze via de rede te temmen. Maar iemand die niets uitvoert, is het waard een redelijk denkend wezen genoemd te worden. Een redelijk denkend mens is iemand die godsvrezend is. En iemand die God vreest, doet niets overmoedigs. Hij die zichzelf ervoor behoedt iets overmoedigs te doen, is iemand die zijn innerlijke gids raadpleegt. Hoewel hij natuurlijk een op aarde levend mens blijft, heeft hij zichzelf godsgelijk gemaakt. En hij die zich godsgelijk heeft gemaakt, is iemand die niet doet wat een god onwaardig is, volgens de verzekering van Paulus die als Christus geworden is. Want waarom zou men God eer betonen als men niet dingen wenste te doen die Hem welgevallig zijn ?
De ware aanbidding is wat uit het hart voortkomt, en aanbidding uit het hart kenmerkt iedere ziel die God nabij is. En de ziel die huisgenoot is van God, blijft zuiver, en de ziel die door Christus aangenomen wordt, is een zuivere ziel die onmogelijk zondigen kan. En daar waar Christus is, is zonde teniet gedaan. Laat slechts Christus toe in je wereld, en laat hem alle machten die over je gekomen zijn, vernietigen. Laat hem je innerlijke tempel binnengaan, zodat hij alle handelaars kan uitdrijven. Laat hem in je innerlijke tempel wonen, zodat jij een priester en leviet voor hem kunt worden, die binnenkomt in zuiverheid. Gezegend ben jij, o ziel, als je hem in je tempel vindt. En nog meer gezegend ben je wanneer je zijn eredienst verricht.
Maar hij die Gods tempel zal bevuilen, hem zal God vernietigen. Want je legt jezelf bloot, o mens, wanneer je Hem uit je tempel drijft. Want telkens wanneer de vijanden Christus niet in je zien, zullen zij in jou komen, gewapend om je te vermorzelen. O mijn zoon, ik heb je al zo vaak hierover richtlijnen gegeven, opdat je te allen tijde je ziel zou beschermen. Jij bent het niet die hem er weer uitjaagt, maar hij zal jou verjagen. Want als je je van Hem verwijdert, zul je tot grote zonden vervallen. Nogmaals, als je je van Hem verwijdert, zul je een voedingsbodem voor je vijanden worden. Want alle lage wezens ontvluchten hun huisheer en de minderwaardige in deugd en wijsheid vlucht meestal voor Christus weg. Want ieder die van hem gescheiden is, valt in de klauwen van de wilde dieren.
Weet wie Christus is, en maak hem tot vriend. Want hij is het die een getrouwe vriend is. Hij is het ook die God is en leraar. Hij is het die, God zijnde, mens werd om jouwentwil. Hij is het die de ijzeren tralies en de bronzen grendels van de onderwereld verbrak. Hij is het die iedere hooghartige tiran neerhaalde. Hij is het die zichzelf uit de ketenen bevrijdde, waarin hij geslagen was. Hij verhief de armen uit de afgrond en de bedroefden uit de onderwereld. Hij is het die de hovaardige machten vernederde, hij die de hovaardigheid door zijn nederigheid te schande maakte, hij die de krachtpatser en de snoever omver wierp door zijn kwetsbaarheid, hij die geringschattend neerhaalde wat men beschouwde als een eer, zodat nederigheid uit liefde tot God hogelijk verheven kan worden. Hij is het die het menszijn op zich genomen heeft, en toch God is, het Goddelijk Woord ; hij is het die geduldig de mens steunt op ieder moment, en nederigheid wil wekken in de verhevenen. Hij die de mens verheven heeft tot hij godsgelijk is geworden, niet met het doel God naar beneden te halen naar het menselijk niveau, maar opdat de mens gelijk aan God zou worden. O, deze grote goedheid van God ! O Christus, koning die aan de mensen de grote Goddelijkheid geopenbaard heeft, koning van iedere deugd en koning van het leven, koning van eonen, en Majesteit van de hemelen, hoor mijn woorden en verggef me !
Waar is nu de man die wijs, intelligent of machtig is, of de man die vele vaardigheden kent ? Laat hij eens spreken over wijsheid, laat hij eens flink opscheppen. Want alle mensen zijn gek geworden en hebben alleen uit eigen kennis gesproken. Maar hij wierp de plannen van doortrapte mensen ondersteboven en hij zegevierde over de waanzin. Wie zal dan in staat zijn de voornemens van de Almachtige te ontdekken, over Goddelijkheid te spreken, of dat exact weer te geven ? Als we nog niet eens in staat zijn elkaars plannen te doorgronden, wie zal er dan in staat zijn de Godheid of de godheden van de hemelen te kennen ? Als we al nauwelijks vinden wat zich op aarde bevindt, wie zal er dan op zoek gaan naar hemelse dingen ?
Een grote Kracht en een grote Heerlijkheid heeft de wereld gemanifesteerd. En het hemelse leven wenst alles te vernieuwen, om al wat zwak is, alsook iedere donkere karaktertrek, te doen verdwijnen, om iedereen met grote helderheid te laten stralen in hemelse gewaden, om aldus de orde van de Vader met grote luister zichtbaar te maken. Om hen die nobel in het strijdperk willen treden te bekronen, zal Christus scheidsrechter zijn. Hij heeft ieder bekroond die hij geleerd heeft hoe te wedijveren. Hij die als eerste gestreden heeft, heeft de kroon gewonnen, verkreeg heerschappij, en heeft zich gemanifesteerd en iedereen verlicht. En allen werden door de Heilige Geest en het Bewustzijn vernieuwd.
O almachtige Heer, hoeveel eer zal ik u geven ? Niemand is in staat God te verheerlijken, passend bij wie Hij is ! Gij zelf hebt glorie gegeven aan uw Woord om ieder te verlossen, o barmhartige God ! Hij is uit iw mond voortgekomen en is opgestaan uit uw hart : de eerstgeborene, de wijsheid, het prototype, het eerste licht. Want hij is licht, voortgekomen uit de kracht van God, en hij is een zuivere uitvloeiing van de Heerlijkheid van de Almachtige. Hij is de vlekkeloze spiegel van de werking van God en het evenbeeld van zijn goedheid. Want ook hij is licht van het eeuwig licht, het oog dat kijkt naar de onzichtbare Vader, altijd dienend en vormend volgens de wil van de Vader. Hij die alleen was voortgebracht door het welbehagen van de Vader. Want hij is het onkenbare woord, hij is wijsheid, hij is leven. Hij schenkt leven en voeding an alle levende wezens en krachten, zoals de ziel alle ledematen doet leven. Hij regeert het Al met kracht, en schenkt het leven. Want hij is het begin en het einde van alles, wakend over alles, en het omringend.
Nu wordt hij door alles heen en weer geslingerd ; hij verheugt zich en heeft tegelijkertijd verdriet. Enerzijds is hij bedroefd om hen die naar de plaats der straf zijn verwezen, en anderzijds is hij bekommerd om ieder die moeizaam tot inzicht komen. Maar hij verheugt zich over allen die in zuiverheid verkeren. Let dan op dat je niet in handen valt van de rovers. Vergun je ogen geen slaap noch je oogleden sluimer, opdat je als een hinde aan valstrikken mag ontsnappen en als een vogel aan een net. Vecht het grote gevecht zolang de strijd duurt, terwijl je de ogen van al de machten op je gericht voelt, niet alleen de heilige, maar ook die van de Tegenstrever. Wee jij, wanneer je overwonnen wordt temidden van allen die naar je kijken. Als je slag levert en triomfeert over de machten, zul je alle heiligen enorme vreugde bezorgen, en je vijanden groot verdriet. Jouw Scheidsrechter helpt je volkomen, aangezien hij wil dat jij overwint.
Luister, mijn zoon, en wees niet hardhorig ! Verhef jezelf als een adelaar, na je oude mens achter je gelaten te hebben. Vrees God in ale je daden en verheerlijk Hem door je goede werk, wetend dat ieder mens waarin God geen behagen schept, een kind van de ondergang is, en zal neergaan in de afgrond van de onderwereld. O het geduld van God, die ieder steunt, die verlangt dat ieder die tot zonde vervallen is, gered wordt ! Maar niemand belet Hem te doen wat Hij wil ! Want wie is sterker dan Hij, dat hij Hem zou kunnen tegenhouden ? Hij is het die de aarde beroert, en haar laat sidderen en die de bergen doet roken. Hij is het die zo'n enorme zee bijeen bracht in een lederen wijnzak, en al de wateren op één hand heeft gewogen. Alleen de hand van de Heer heeft dit alles geschapen. En deze hand van de Vader is Christus, en hij vormt het Al. Door deze hand is het Al ontstaan ; zij is de Moeder van het Al geworden. Want hij is altijd Zoon van de Vader.
Overweeg dat de almachtige God - die eeuwig bestaat - niet altijd geregeerd heeft omdat Hij de goddelijke Zoon niet wilde ontberen. Inderdaad woont het Al in God ; het is ontstaan door het Woord, dat wil zeggen de Zoon, het evenbeeld van de Vader. Want God is nabij ; hij is niet ver weg. Alle goddelijke sporen behoren tot Gods familie. Weet dan dat wanneer een deel van het goddelijke over iets met je instemt, dat dàn heel het goddelijke met je instemt. Maar dit goddelijke wordt niet tevreden gesteld met iets slechts : het heeft immers alle mensen het goede onderricht.
Aan hem heeft God het menselijk geslacht toevertrouwd, zodat alle mensen uitverkoren zouden worden boven alle engelen en aartsengelen. God hoeft niemand op de proef te stellen : Hij kent immers alles, nog voor het ontstaan is, en Hij kent de verborgenheden des harten. Nu zijn ze alle onthuld en schieten te kort in zijn ogen. Laat niemand ooit zeggen dat God onwetend is. Want het past niet de Schepper van alle schepselen in onwetendheid te plaatsen. Want zelfs in duister gehulde dingen staan voor hem in het licht. Niets anders is inderdaad verborgen, behalve God. En toch heeft Hij zich aan ieder geopenbaard. Hij is zichtbaar omdat God het Al kent. Zelfs als zij dat niet willen bevestigen, zullen zij door hun hart in verlegenheid gebracht worden. Nu is hij verborgen omdat niemand de dingen van God kan bevatten. Want het is onkenbaar en ondoorgrondelijk het Plan van God te kennen. Daarenboven is het moeilijk zijn sporen te volgen en Christus te vinden. Want hij woont overal en tegelijkertijd is hij op geen enkele plek. Want niemand - al wil hij dat - zal in staat zijn God te kennen zoals Hij werkelijk is, noch Christus, noch de Geest, noch het engelenkoor, noch de aartsengelen en de tronen der geesten, en de verheven heerschappen, en het grote Bewustzijn. Als je jezelf niet kent, zul je niet in staat zijn dit alles te kennen. Open de deur van jezelf, om de Ene-die-is te kennen. Klop op jezelf, opdat het Woord zich voor je ontsluit. Want Hij is de deur van het geloof en het scherpe zwaard, die alles voor allen geworden is, omdat hij mededogen met iedereen wilde hebben.
Mijn zoon, bereid je voor te ontsnappen aan de wereldheersers van de duisternis en aan dit soort lucht, die bezwangerd is van machten. Maar als je Christus in je hebt, zul je de hele wereld overwinnen. Dat wat je voor jezelf wil openen, zal je openen. Dat waarop je voor jezelf wilt ploppen, daarop zal je kloppen, en er zelf baat bij hebben. Help jezelf mijn zoon, door niet te wandelen met hen die je niet van nut zijn. Zuiver jezelf eerst naar je uiterlijk leven, opdat je daarna in staat mag zijn je innerlijk te reinigen. En wees niet als de kooplieden uit het Woord van God. Beproef alle woorden eerst voordat je ze uitspreekt. Streef geen voorbijgaande roem na noch grootsprakk, die je ondergang zal zijn. Neem de wijsheid Christus aan, die geduldig en mild is, en behoed die, mijn zoon, wetende dat Gods weg altijd vruchten draagt.
Jezus Christus, Zoon van God, Verlosser, buitengewoon wonder.
12:24
Gepost door marcus
in Algemeen |
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
22-10-09
2.2. Oertoestanden van aarde en mens.
______________________________________________________________________________________________________________
3. Het Lemurische ras.
Hier volgt een stuk dat betrekking heeft op een ver verleden in de ontwikkeling van de mensheid. Die periode gaat vooraf aan de tijd die hier reeds werd beschreven. Het betreft het derde menselijk wortelras, waarover in de occulte boeken wordt meegedeeld dat het gewoond heeft op het Lemurische continent. Dit continent lag - volgens deze boeken - in het zuiden van Azië, en strekte zich ongeveer uit van Ceylon tot Madagaskar. Ok het tegenwoordige zuiden van Azië en delen van Afrika hoorden erbij. Ook al is bij het ontcijferen van de Akasha-kroniek de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht genomen, toch dient er benadrukt te worden dat deze mededelingen nergens aanspraak kunnen maken op enig dogmatisch karakter. Het lezen van dingen en gebeurtenissen die zover van onze tijd afliggen, is al niet gemakkelijk, maar wat geschouwd en ontcijferd is, over te brengen in de taal van nu, plaatst ons bijna voor onoverkomelijke moeilijkheden. Tijdsopgaven volgen later : deze zullen beter worden begrepen als de gehele Lemurische tijd - en ook de tijd van ons vijfde wortelras - behandeld is. De dingen die hier worden meegedeeld, zijn ook voor de occultist die ze voor het eerst leest, verrassend, hoewel dit niet helemaal het juiste woord is. Daarom mag hij ze pas na het meest nauwgezette onderzoek meedelen.
Aan het vierde - Atlantische - wortelras ging het zogenaamde Lemurische vooraf. Tijdens de ontwikkeling ervan, vonden er met aarde en mens gebeurtenissen plaats, die van de hoogste betekenis waren. Maar eerst moet hier iets gezegd worden over het karakter van dit wortelras nà deze gebeurtenissen, om pas daarna op de feiten zèlf in te gaan. Over het algemeen was bij dit ras het geheugen nog niet ontwikkeld. De mensen konden zich weliswaar voorstellingen van zaken en gebeurtenissen maken, maar die voorstellingen bleven niet in de herinnering. Daardoor hadden zij ook nog geen taal in de ware betekenis van het woord. Wat zij in dat opzicht konden voortbrengen aren meer natuurgeluiden, waarmee zij hun gewaarwordingen, genot, vreugde, verdriet enz., tot uitdrukking brachten, maar geen dingen buiten hen aanduidden. Hun voorstellingen hadden echter een heel andere kracht dan van de mensen uit latere tijden. Door deze kracht hadden zij invloed op hun omgeving. Andere mensen, maar ook dieren, planten en zelfs levenloze voorwerpen, konden deze werking ondergaan en door louter voorstellingen worden beïnvloed. Zo kon de Lemuriër zijn medemensen aankondigingen doen zonder daarvoor een taal nodig te hebben. Deze vorm van mededeling bestond uit een soort 'gedachtenlezen'. De Lemuriër putte de kracht van zijn voorstellingen rechtstreeks uit de dingen die hem omringden. Ze stroomde hem toe uit de groeikracht der planten en uit de levenskracht der dieren. Op die manier begreep hij het innerlijk weven en leven van planten en dieren, en zo begreep hij ook de fysische en chemische krachten van de levenloze dingen.
Als hij iets bouwde, hoefde hij niet eerst de draagkracht van een boomstam te kennen en het gewicht van een steen te berekenen, neen, hij kon aan de boomstam zien hoeveel die kon dragen, en aan de bouwsteen waar deze van pas kwam en waar niet. Zo bouwde de Lemuriër, zonder ingenieurskennis, werkende vanuit zijn met instinctmatige zekerheid en voorstellingskracht. En daarbij had hij een grote macht over zijn lichaam. Als het nodig was, kon hij zijn arm ijzersterk maken, alleen door wilsinspanning. Zo kon hij bijvoorbeeld zware lasten optillen door louter ontplooiing van zijn wil. Zoals later de Atlantiër over de levenskracht kon beschikken, zo was de Lemuriër volledig meester over zijn wil. Hij was - en men mag deze uitdrukking niet verkeerd begrijpen - op alle gebieden van lagere menselijke verrichtingen de geboren magiër. Hij was de ontwikkeling van de wil, van de voorstellingskracht, waar het bij hen om ging. De opvoeding der kinderen was daarop geheel ingesteld. De jongens werden op de meest krachtige wijze gehard : zij moesten gevaren leren doorstaan, pijn uithouden, dappere daden volbrengen. Zij die dit niet aankonden, werden niet beschouwd als nuttige leden van de mensheid, en men liet ze onder de inspanningen bezwijken. Wat de Akasha-kroniek over deze kindertucht laat zien, overtreft de stoutste fantasie van de huidige mens. Het verdragen van hitte tot aan de verzengende gloed, en het doorsteken van het lichaam met puntige voorwerpen was een heel gewone gang van zaken. Bij de meisjes lag dat anders : weliswaar werd ook het vrouwelijk kind gehard, maar verder was alles erop gericht dat het meisje een krachtige fantasie zou ontwikkelen. Het werd bijvoorbeeld blootgesteld aan de storm om de huiveringwekkende schoonheid daarvan in rust te ondergaan. Het moest bij de strijd van de mannen toekijken, zonder angst, alleen maar doordrongen van het gevoel voor de sterkte en kracht die het voor zich zag. Daardoor ontwikkelde het meisje een aanleg tot dromen en fantaseren, en dit sloeg men bijzonder hoog aan. En aangezien men geen geheugen had, kon zo'n aanleg ook niet ontaarden. De betreffende droom- en fantasievoorstellingen duurden slechts zo lang als hiertoe van buitenaf aanleiding bestond. In zoverre hadden ze dus een steun aan de uiterlijke dingen en verloren zich niet in de ruimte. Het was in feite het fantaseren en dromen van de natuur zelf, dat in het vrouwelijk gemoed neerdaalde.
Woningen in de betekenis die wij eraan geven, hadden de Lemuriërs niet, behalve dan tegen het einde van hun tijdperk. Ze hadden hun verblijf, waar de natuur zelf daartoe gelegenheid bood. In aardholen bijvoorbeeld brachten ze alleen maar zulke veranderingen en voorzieningen aan, als voor hen nodig was. Later bouwden ze zelf zulke holen in de grond, en bij dergelijke bouwwerken legden ze dan grote handigheid aan de dag.
Men moet echter niet denken dat zij niet ook kunstige bouwwerken optrokken. Maar deze dienden niet als woning. In de eerste tijd kwamen zulke bouwwerken voort uit de behoefte de dingen van de natuur een vorm te geven, die door mensen was ontworpen. Heuvels werden zo omgevormd dat de mens vreugde had aan de vorm, en er behagen in schiep. Om dezelfde eden werden stenen samengevoegd, of ok wel om er gebruik van te maken bij bepaalde handelingen. De plaatsen waar men de kinderen hardde, werden met een dergelijke soort muur omringd. Tegen het einde van dit tijdperk werden echter de bouwwerken die bestemd waren voor het beoefenen en behoeden van de goddelijke wijsheid en kunst, steeds indrukwekkender en kunstiger. Deze instellingen verschilden in ieder opzicht van wat voor de latere mensheid de tempels betekenden, want het waren tegelijkertijd onderwijsinstituten en oorden van wijsheid. Wie er geschikt voor werd geacht, mocht hier worden ingewijd in de kennis van de wereldwetten, en het hanteren ervan. De Lemuriër was al een geboren magiër, maar hier werd deze aanleg ontwikkeld tot kunst en inzicht. Alleen zij die op allerlei manieren gehard waren, en dardoor in de hoogste mate het vermogen hadden verworven alles te trotseren, konden worden toegelaten. Voor alle anderen bleef hetgeen zich in deze instellingen voltrok, in diep geheim gehuld. Hier leerde men vanuit de directe aanschouwing de natuurkrachten kennen en beheersen. En dat leren voltrok zich zodanig dat de natuurkrachten zich bij de mens omzetten in wilskracht. Daardoor kon hij zelf volbrengen wat de natuur tot stand bracht. Wat de latere mensheid tot stand bracht door overlegging en cambinaties, had in die tijd het karakter van een instinctieve handeling. Men mag hier echter het woord 'instinct' niet in dezelfde betekenis gebruiken als men gewend is in de dierenwereld. Want de prestaties van de Lemurische mens verhieven zich torenhoog boven alles wat de dierenwereld door middel van het instinct vermag voort te brengen. Zij stonden zelfs ver boven hetgeen de mensheid zich sedertdien door geheugen, verstand, en fantasie heeft eigen gemaakt aan kunst en wetenschap. Wanneer men voor deze instellingen een enigszins begrijpelijke omschrijving zou willen geven, zou men ze kunnen noemen : 'hogescholen voor wilskracht en helderziende voorstellingskracht'.
Zij brachten mensen voort die in elk opzicht de heerschappij verwierven over de anderen. Het is moeilijk om in de tegenwoordige tijd van al deze verhoudingen in woorden een juiste voorstelling te geven. Want sindsdien heeft alles zich gewijzigd op deze aarde. De natuur zelf, en alle menselijk leven waren anders. Daardoor verschilden ook de menselijke arbeid en verhouding van mens tot mens geheel en al van wat thans gebruikelijk is. De lucht was nog veel dichter dan later in de Atlantische tijd, het water nog veel dunner. En ook wat thans onze vaste aardkorst is, was nog niet zo verhard als later. De dieren- en plantenwereld waren nog maar in het stadium van amfibieën, vogels, en lagere zoogdieren, en verder van gewassen die gelijkenis vertoonden met onze palmen en soortgelijke bomen. Maar alle vormen waren anders. Wat nu slechts in het klein voorkomt, was toen reusachtig ontwikkeld. Onze kleine varens waren toen bomen die geweldige bossen vormden. De tegenwoordige hogere zoogdieren bestonden toen niet. Daarentegen stond een groot deel van de mensheid op een zo age trap van ontwikkeling, dat men die mensen beslist dierlijk moet noemen. Wat in het voorgaande over de mens beschreven is, geldt trouwens slechts voor een klein deel ervan. De anderen leefden op een dierlijk niveau. Ja, zelfs in hun uiterlijk en de manier van leven, verschilden deze diermensen volslagen van die kleine groep. Er was helemaal geen speciaal onderscheid tussen hen en de lagere zoogdieren, die in zeker opzicht ook in gestalte op hen leken.
Hier moet nog iets gezegd worden over de betekenis van de genoemde heilige plaatsen : de tempeloorden. Het was eigenlijk geen religie wat daar werd beoefend. Het was 'goddelijke wijsheid en kunst'. De mens beleefde wat hij daar ontving, rechtstreeks als een geschenk van de geestelijke wereldkrachten. En wanneer hem dat geschenk gegeven werd, beschouwde hij zichzelf als een dienaar van deze wereldkrachten. Hij voelde zich 'geheiligd' tegenover alles wat ongeestelijk was. Wil men op deze trap van mensontwikkeling van religie spreken, dan zou men het 'wilsreligie' kunnen noemen. De religieuze stemming en wijding lagen in het feit dat de mens de hem verleende krachten als een streng goddelijk geheim behoedde, dat hij een leven leidde waardoor hij zijn macht heiligde. Groot waren de schroom en de verering waarmee men personen tegemoet trad, die zulke krachten bezaten. En dat werd niet bewerkstelligd door wetten of iets dergelijks, maar door de directe macht die van deze persoon uitging. Wie niet was ingewijd, stond vanzelfsprekend onder de magische invloed der ingewijden. En het sprak ook vanzelf dat dezen zich zèlf als geheiligde personen beschouwden. Want in hun tempeloorden kregen zij immers vanuit de volledige aanschouwing deel aan de werkende natuurkrachten. Zij keken binnen in de werkplaats van de scheppende natuur. Wat zij beleefden was een verkeren met de wezens die aan de wereld zelf bouwen. Men mag dit verkeer 'omgaan met de goden' noemen, en wat zich later als 'inwijding' en 'mysterie' heeft ontwikkeld, is voortgekomen uit de manier waarop deze mensen oorspronkelijk met de goden hebben verkeerd. In de tijden daarna moest deze omgang een andere vorm aannemen omdat het menselijk voorstellen - de menselijke geest - andere vormen aannam.
In de loop van de Lemurische ontwikkeling gebeurde er iets zeer belangrijks, omdat de vrouwen leefden zoals hierboven beschreven werd. Zij brachten daardoor bijzondere menselijke krachten tot ontwikkeling : hun natuurgebonden verbeeldingskracht werd de basis voor een hogere ontwikkeling van het voorstellingsleven. Al denkende, namen zij de krachten der natuur in zich op en lieten deze in hun ziel nawerken. Daardoor vormden zich de kiemen van het geheugen, en met dat geheugen kwam tevens het vermogen tot vorming van de eerste, allereenvoudigste, morele begrippen. De wilsontwikkeling van het mannelijk element kende iets dergelijks eerst niet. De man volgde instinctief ofwel de impulsen vanuit de natuur, ofwel de invloeden van ingewijden. Vanuit de vrouwelijke aanleg ontstonden de eerste voorstellingen van goed en kwaad. Van de dingen die op het voorstellingsleven een bijzondere indruk maakten, begon men het ene lief te hebben en het andere t verafschuwen. Terwijl de heerschappij, die het mannelijk element uitoefende, meer gericht was op de uiterlijke werking van de wilskracht en uiterlijk hanteren van de natuurkrachten, ontstond daarnaast in het vrouwelijk element een invloed door gemoed, door de innerlijke persoonlijke krachten van de mens. Van de ontwikkeling der mensheid kan alleen hij zich een juist beeld vormen, die in aanmerking neemt dat het de vrouwen zijn die de eerste vorderingen in het voorstellingsleven hebben gemaakt. De gewoontevorming, die samenhangt met het nadenkende voorstellingsleven en met de ontwikkeling van het geheugen, kwam van de kant van de vrouw ; en die gewoonten vormden de kiem voor een rechtsleven, voor een zeker normbesef. Al had de man de natuurkrachten geschouwd en gehanteerd, het was de vrouw die er uitleg aan gaf. Er ontstond hier een speciale nieuwe manier van leven, namelijk door nadenken. Deze manier van leven had iets veel persoonlijkers. Nu moet men zich indenken dat deze levenswijze van de vrouw eveneens een soort helderziendheid was, ook al verschilde ze van de wilsmagie van de mannen. De vrouw was in haar ziel voor een ander soort geestelijke machten toegankelijk, namelijk die machten die mer tot het gevoelselement van de ziel spraken, en minder tot het geestelijk element waaraan de man was onderworpen. Zo ging van de mannen een werking uit die meer natuurlijk-goddelijk was, en van de vrouwen een meer ziele-goddelijke werking.
De ontwikkeling van de Lemurische vrouw bracht met zich mee, dat haar bij het optreden van het volgende - Atlantische - wortelras op aarde, een belangrijke rol werd toebedeeld. Dit optreden vond plaats onder invloed van hoog ontwikkelde wezens die de wetten van de rassenvorming kenden, en die in staat waren de aanwezige krachten van de menselijke natuur in zulke banen te leiden, dat een nieuw ras kon ontstaan. Over deze wezens zal nog in het bijzonder gesproken worden. Voorlopig kan volstaan te zeggen dat zij bovenmenselijke wijsheid en macht bezaten.
Uit de Lemurische gemeenschap zonderde zich een kleine groep mensen af, die bestemd waren als stamouders van het komende Atlantische ras. De plaats waar dit gebeurde lag in de hete zone. De mannen van dit groepje hadden zich bekwaamd in het beheersen van de natuurkrachten. Zij waren sterk, en wisten aan de aarde de meest verschillende schatten te onttrekken. Zij konden de akker bebouwen en van de oogst profijt trekken voor hun eigen leven. Zij hadden een sterke wilsnatuur dankzij de tucht waaronder zij gestaan hadden. ziel en gemoed waren bij hen slechts in geringe mate ontwikkeld. Bij de vrouwen, daarentegen, waren deze wèl tot ontplooiing gekomen. Geheugen en fantasie, en alles wat daarmee samenhangt, waren bij hen aanwezig. De genoemde leiders zorgden ervoor dat het troepje mensen zich in kleinere groepjes onderverdeelde. En de vrouwen werden belast met het ordenen en organiseren ervan. Door haar geheugen had de vrouw het vermogen verkregen om uit de ervaringen en ondervindngen, die ze eenmaal had opgedaan, voor de toekomst profijt te trekken. Wat gisteren doelmatig was gebleken, paste ze ook heden toe, en het werd haar duidelijk dat het ook morgen van nut zou zijn. De samenleving werd dan ook door haar ingericht. Onder haar invloed ontwikkelden zich de begrippen van goed en kwaad. Door een leven van nadenken had zij begrip gekregen voor de natuur. Door het gadeslaan ervan kwam zij tot voorstellingen, volgens dewelke zij het doen en laten van de mensen leidde. De leiders hadden het zodanig ingericht dat de wilsnatuur van de mannen - en hun overvloed aan kracht - veredeld en gelouterd werd door de ziel van de vrouw. Natuurlijk moet men zich dit alles nog in een kinderlijk stadium voorstellen ! Maar al te gemakkelijk roepen de wooden van onze taal onmiddellijk voorstellingen op die aan het leven van nu ontleend zijn.
De leiders gebruikten het ontwaakte zieleleven van de vrouwen als omweg om het zieleleven van de mannentot ontwikkeling te brengen. In de beschreven kolonie hadden de vrouwen dus een grote invloed : bij hen moest men raad vragen wanneer men e tekenen der natuur wilde verklaren. Het gehele zieleleven van de vrouw was echter nog van die aard dat het beheerst werd door de 'geheime' zielekrachten van de mens. Het is niet helemaal juist wanneer men zegt dat de vrouwen als somnambules waarnamen : wanneer zij in een zekere hogere droomtoestand verkeerden, onthulden zich voor hen de geheimen der natuur, en stroomden hen de impulsen toe voor hun handelingen. Alles was voor hen bezield en deed zich aan hen voor in zielekrachten en zieleverschijnselen. Zij gaven zich over aan het geheimzinnige weven van hun zielekrachten ; het waren innerlijke stemmen die hen tot handelen dreven, die gesproken werden door planten, dieren, stenen, wind, wolken, het suizen van de bomen, enzovoort. Uit een dergelijke zieletoestand ontstond datgene wat men menseljke religie kan noemen. Het ziele-element in de natuur en in het menselijk leven werd langzamerhand vereerd en aanbeden. Enkele vrouwen kregen een speciaal overwicht, omdat zij vanuit bijzonderegeheimzinnige diepten de wereldinhoud konden verklaren. Zo kon het gebeuren dat bij zulke vrouwen datgene wat in hun innerlijk leefde, zich omzette in een soort natuuraal. Want het begin van de spraak ligt in iets dat op gezang lijkt. De kracht van de gedachte zette zich om in de hoorbare kracht van de klank. Het innerlijk ritme van de natuur weerklonk van de lippen van wijze vrouwen. Men schaarde zich om zulke vrouwen heen en beleefde in hen, als het ware gezongen zinnen, de uitingen van hogere machten. Met dergelijke dingen heeft de menselijke godsdienst een aanvang genomen.
Van een 'betekenis' van het gesprokene kan voor de toenmalige tijd nog geen sprake zijn. Men onderging klanken, tonen en ritme. Men stelde er zich verder niets bij voor, maar de kracht van hetgeen men hoorde, werd ingedronken door de ziel. Het hele gebeuren stond onder supervisie van de hogere leiders : zij hadden de 'wijze' priesteressen op een bepaalde manier die klanken en ritmen ingegeven. Zo konden zij veredelend op de zielen der mensen inwerken. Men kan zeggen dat op deze wijze het eigenlijke zieleleven pas ontwaakte. De Akasha-kroniek laat op dit gebied mooie taferelen zien ; hier volgt één beschrijving. We bevinden ons in een bos, bij een enorme boom. De zon is noet in het oosten opgegaan. De palmachtige boom waarrond andere bomen verwijderd zijn, werpt machtige schaduwen. Met het gezicht naar het oosten gewend - in extase verloren - zit een priesteres op een uit zeldzame natuurvoorwerpen en planten samengestelde zetel. Langzaam, in ritmische opeenvolging, stromen van haar lippen wonderbare klanken, die zich steeds herhalen. In kringen rondom zit een aantal mannen en vrouwen, verloren in dromen, die uit het gehoorde innerlijk leven indrinken.
Er zijn nog andere taferelen te zien : op een andere plaats, ongeveer net zo ingericht, 'zingt' een priesteres op dezelfde manier, maar haar tonen hebben iets meer macht en kracht. En de mensen erom heen bewegen zich in ritmische dansen. Want dit is de andere wijze waarop 'ziel' in de mensheid ontstond. De geheimzinnige ritmen die men van de natuur had afgeluisterd, werden in de bewegingen van het eigen lichaam nagebootst. Men voelde zich daarmee één met de natuur en de daarin heersende machten.
De plek op aarde waar deze stam van een komend ras tot ontwikkeling werd gebracht, was daarvoor bijzonder geschikt. Het was een gebied waar de toenmalige nog stormachtige aarde enigszin tot rust was gekomen. Want Lemurië was hevig in beweging. De aarde had toen immers nog niet haar latere dichtheid. Overal werd de dunne bodem door vulkanische krachten ondermijnd, die in kleinere of grotere stromen tevoorschijn kwamen. Bijna overal waren machtige vulkanen aanwezig die aanhoudend een verwoestende werking ontplooiden. De mensen waren gewend bij al wat zij deden, met deze vuurwerking rekening te houden. Zij maakten van dit vuur ook gebruik bij hun arbeid en hun voorzieningen. De werkzaamheden waren meestal zo opgezet, dat het vuur van de natuur daarvoor net zo'n basis vormde, als tegenwoordig het kunstmatig vuur bij het werk van de mens. De werking van dit vulkanisch vuur is ook de oorzaak van de ondergang van het Lemurisch land. Dat deel, waaruit zich het wortelras van de Atlantiërs moest ontwikkelen, had weliswaar een heet klimaat, maar werd toch over het algemeen bespaard. De mensennatuur kon zich hier stiller en vrediger ontplooien dan in de overige gebieden van de aarde. Het meer rondzwervende leven uit vroeger tijden werd opgegeven en de vaste nederzettingen werden steeds talrijker.
Men moet zich voorstellen dat het menselijk lichaam in die tijd nog soepel en buigzaam was. Het vormde zich nog voortdurend om, zodra het innerlijk leven zich wijzigde. Niet lang tevoren waren de mensen namelijk nog zeer verschillend wat hun uiterlijke gestalte betreft. De streek en het klimaat hadden daar van buitenaf nog een beslissende invloed op. Pas in de beschreven kolonie werd het lichaam steeds meer een uitdrukking van zijn innerlijk, zijn zielsleven. Deze kolonie bestond dan ook uit een gevorderde en uiterlijk edeler gevormde mensensoort. Men moet zeggen, door hetgeen de leiders hadden gedaan, hebben zij eigenlijk pas datgene geschapen, wat de juiste menselijke gestalte is. Dat ging weliswaar heel langzaam en geleidelijk. Maar het voltrok zich zo, dat eerst het zieleleven in de mens tot ontplooiing werd gebracht, en het nog weke soepele lichaam zich daarbij aanpaste.
Het is een wet in de mensheidsontwikkeling, dat naarmate de mens vooruitgaat, hij hoe langer hoe minder bij machte is zijn fysiek lichaam om te vormen. Een tamelijk vaste vorm heeft het fysieke mensenlichaam eigenlijk pas gekregen met de ontwikkeling van het verstandelijk vermogen en met de daarmee samenhangende verdichting van de in de aarde gevormde stenen, mineralen en metalen. Want in de Lemurische - en ook nog in de Altalntische - tijd waren stenen en metalen veel zachter dan later. Dit is niet in strijd met het feit dat er nog nakomelingen van de laatste Lemuriërs en Atlantiërs bestaan, die momenteel net zulke vaste vormen vertonen als de mensenrassen die zich later ontwikkelden. Deze moesten zich aanpassen aan de gewijzigde milieu-omstandigheden op aarde en verhardden dus ook. En dat is nu juist de reden waarom zij achtergebleven zijn. Zij hebben zich niet van binnenuit omgevormd, maar hun minder ontwikkeld innerlijk werd van buitenaf in de verstarring gedrongen en daardoor gedwongen tot stilstand. En deze stilstand is werkelijke achteruitgang, want ook het innerlijk leven is achtergebleven omdat het zich in de verharde lichamelijkheid niet kon uitleven.
In het dierenrijk heerste en nog groter vermogen tot verandering. Over de diersoorten die ten tijde van het ontstaan van de mens reeds bestonden, én over hun afkomst, zal later gesproken worden, evenals over het ontstaan van nieuwe diervormen toen de mens reeds aanwezig was. Hier kan worden volstaan met te zeggen dat de bestaande diersoorten steeds van vorm veranderden en dat er nieuwe ontstonden. Deze verandering ging uiteraard ook heel geleidelijk. De oorzaken van de verandering lagen voor een deel in de wijziging van woonplaats, en van levenswijze. De dieren hadden het vermogen zich buitengewoon snel aan te passen aan nieuwe omstandigheden. Het nog voor verandering vatbare lichaam wijzigde betrekkelijk snel de organen zodat, na vrij korte tijd, de nakomelingen van een bepaalde soort nog maar weinig op hun voorouders leken. Hetzelfde was in nog sterkere mate het geval met de planten.
De grootste invloed op de wijziging van mensen en dieren, had de mens zelf ; hetzij dat hij instinctief de levende wezens in een zodanige omgeving bracht dat ze bepaalde vormen aannamen, hetzij dat hij dit bewerkstelligde door teeltproeven. De menselijke invloed was in die tijd, vergeleken met nu, onmetelijk groot. Dit was vooral het geval in de eerder beschreven kolonie. Daar werd deze verandering gedirigeerd door de leiders op een wijze waarvan de mensen zich niet eens bewust waren. Dit was in zulke mate het geval, dat de mensen, toen ze vertrokken om de verschillende Atlantische rassen te grondvesten, grote kundigheden bezaten omtrent het fokken van dieren en het kweken van planten. Het beschavingswerk in Atlantis was dan ook hoofdzakelijk het gevolg van dit kunnen. Maar ook hier moet erop gewezen worden dat dit kunnen een instinctief karakter had. Zo bleef het in wezen ook bij de eerste Atlantische rassen.
Het domineren van de vrouwenziel, zoals eeder beschreven, was bijzonder sterk op het laatste van de Lemurische tijd en duurde voort tot in de voorbereidingstijd van het vierde Atlantische onderras. Men moet evenwel niet denken dat dit bij de gehele mensheid het geval was. Het geldt voor dat deel der aardebevolking waaruit later de werkelijk ver gevorderde rassen zijn voortgekomen. En deze invloed werkte het allersterkste op al hetgene 'onbewust' is. Het ontstaan van bepaalde gebaren, de fijnheid van zintuigelijke waarnemingen, een aanzienlijk deel van het gewaarwordingsleven, vinden alle hun oorsprong in de ziele-invloed van de vrouw. De Akasha-kroniek legt uit : "De beschaafde volkeren hebben een lichaamsbouw en een lichamelijk voorkomen, alsmede bepaalde grondslagen voor het leven van lichaam en ziel, die hen door de vrouw zijn ingeprent'.
22:03
Gepost door marcus
in Algemeen |
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
27-09-09
66. Handelingen van Paulus en Thekla.
_______________________________________________________________________________________________
CHAPTER 1
1. When Paul went up to Iconium after his flight from Antioch, Demas and Hermogenes became his companions, who were then full of hypocrisy.
2. But Paul looked only at the goodness of God and did them no harm, but loved them greatly.
3. Accordingly, he endeavored to make agreeable to them all the oracles and doctrines of Christ, and the design of the Gospel of God's well-beloved Son, instructing them in the knowledge of Christ as it was revealed to him.
4. And a certain man named Onesiphorus, hearing that Paul was coming to Iconium, went out speedily together with his wife Lectra and his sons Simmia and Zeno, to meet him and invite him to their house.
5. For Titus had given them a description of Paul's personage, for as yet they did not know him in person but were only acquainted with his character.
6. They went in the king's highway to Lystra and stood there waiting for him, comparing all who passed by with that description which Titus had given them.
7. At length they saw a man coming (namely Paul), of a small stature with meeting eyebrows, bald [or shaved] head, bow-legged, strongly built, hollow-eyed, with a large crooked nose; he was full of grace, for sometimes he appeared as a man,sometimes he had the countenance of an angel. And Paul saw Onesiphorus and was glad.
8. [New paragraph in the oldest extant manuscripts] And Onesiphorus said: Hail, servant of the blessed God. Paul replied, The grace of God be with you and your family.
9. But Demas and Hermogenes were moved with envy, and under a show of great religion, Demas said, And are not we also servants of the blessed God? Why did you not salute us?
10. Onesiphorus replied, Because I have not perceived in you the fruits of righteousness; nevertheless, if you are of that sort, you shall be welcome to my house also.
11. Then Paul went to the house of Onesiphorus, and there was great joy among the family on that account; and they employed themselves in prayer, breaking bread, and hearing Paul preach the word of God concerning temperance and the resurrection, in the following manner:
12. Blessed are the pure in heart, for they shall see God.
13. Blessed are they who keep their flesh undefiled, for they shall be the temple of God.
14. Blessed are the temperate, for God will reveal himself to them.
15. Blessed are they that abandon their secular enjoyments, for they shall be accepted of God.
16. Blessed are they who have wives, as though they had them not, for they shall be made angels of God.
17. Blessed are they who tremble at the word of God, for they shall be comforted.
18. Blessed are they who keep their baptism pure, for they shall find peace with the Father, Son, and Holy Spirit.
19. Blessed are they who pursue the doctrine of Jesus Christ, for they shall be called the sons of the Most High.
20. Blessed are they who observe the instructions of Jesus Christ, for they shall dwell in eternal light.
21. Blessed are they, who for the love of Christ abandon the glories of the world, for they shall judge angels, and be placed at the right hand of Christ, and shall not suffer the bitterness of the last judgment.
22. Blessed are the bodies and souls of virgins, for they are acceptable to God and shall not lose the reward of their virginity, for the word of their Father shall prove effectual to their salvation in the day of his Son, and they shall enjoy rest forevermore.
CHAPTER 2
1. While Paul was preaching this sermon in the church which was in the house of Onesiphorus, a certain virgin named Thecla (whose mother's name was Theocleia, and who was betrothed to a man named Thamyris) sat at a certain window in her house.
2. From where, by the advantage of a window in the house where Paul was, she both night and day heard Paul's sermons concerning God, concerning charity, concerning faith in Christ, and concerning prayer;
3. Nor would she depart from the window till with exceeding joy she was subdued to the doctrines of faith.
4. At length, when she saw many women and virgins going in to Paul, she earnestly desired that she might be thought worthy to appear in his presence and hear the word of Christ; for she had not yet seen Paul's person, but only heard his sermons.
5. But when she would not be prevailed upon to depart from the window, her mother sent to Thamyris, who came with the greatest pleasure, as he hoped now to marry her. Accordingly he said to Theocleia, Where is my Thecla?
6. Theocleia replied, Thamyris, I have something very strange to tell you. Thecla, for the space of three days, will not move from the window not so much as to eat or drink, but is so intent in hearing the artful and delusive discourses of a certain foreigner, that I am completely astonished, Thamyris, that a young woman of her known modesty will suffer herself to be so prevailed upon.
7. For that man has disturbed the whole city of Iconium, and even your Thecla, among others. All the women and young men flock to him to receive his doctrine; who, besides all the rest, tells them that there is but one God who alone is to be worshipped, and that we ought to live in chastity.
8. Notwithstanding this, my daughter Thecla, like a spider's web fastened to the window, is captivated by the discourses of Paul, and attends upon them with prodigious eagerness and vast delight; and thus, by attending to what he says, the young woman is seduced. Now you go and speak to her, for she is betrothed to you.
9. Accordingly Thamyris went, and saluted her with care not to surprise her, and said, Thecla, my spouse, why are you sitting in this melancholy posture? What strange impressions are made upon you? Turn to Thamyris, and blush.
10. Her mother also spoke to her after the same manner and said, Child, why do you sit so melancholy, like one astonished, and make no reply?
11. Then they wept exceedingly: Thamyris, that he had lost his future spouse; Theocleia, that she had lost her daughter; and the maids, that they had lost their mistress; and there was universal mourning in the family.
12. But all these things made no impression on Thecla to incline her so much as to turn and take notice of them, for she continued to contemplate on the discourses of Paul.
13. Then Thamyris ran into the street to observe who they were who went in to Paul and came out from him; and he saw two men engaged in a very warm dispute, and said to them;
14. Sirs, what business have you here? And who is that man within, belonging to you, who deludes the minds of men, both young men and virgins, persuading them that they ought not to marry but continue as they are?
15. I promise to give you a considerable sum if you will give me a just account of him, for I am the chief person of this city.
16. Demas and Hermogenes replied, We cannot so exactly tell who he is, but we know that he deprives young men of their intended wives, and virgins of their intended husbands, by teaching, there can be no future resurrection, unless you continue in chastity and do not defile your flesh.
CHAPTER 3
1. Then Thamyris said, Come along with me to my house and refresh yourselves. So they went to a very splendid entertainment where there was wine in abundance and very rich provision.
2. They were brought to a table richly spread, and made to drink plentifully by Thamyris, on account of the love he had for Thecla and his desire to marry her.
3. Then Thamyris said, I desire you would inform me what the doctrines of this Paul are, that I may understand them; for I have no small concern about Thecla, seeing she so delights in that stranger's discourses that I am in danger of losing my intended wife.
4. Then Demas and Hermogenes together answered and said, Let him be brought before the governor Castellius as one who endeavors to persuade the people into the new religion of the Christians, and he, according to the order of Caesar, will put him to death, by which means you will obtain your wife;
5. While we at the same time will teach her that the resurrection that he speaks of is already come and consists in our having children, and that we then arose again when we came to the knowledge of God.
6. Upon getting this account from them, Thamyris was filled with hot resentment,
7. And rising early in the morning he went to the house of Onesiphorus, attended by the magistrates, the jailor, and a great multitude of people with staves, and said to Paul;
8. You have perverted the city of Iconium, and among the rest, Thecla, who is betrothed to me, so that now she will not marry me. You must therefore go with us to the governor Castellius.
9. And all the multitude cried out, Away with this impostor, for he has perverted the minds of our wives, and all the people pay attention to him.
CHAPTER 4
1. Then Thamyris stood before the governor's judgment-seat and spoke with a loud voice in the following manner.
2. O governor, I know not where this man comes from, but he is one who teaches that matrimony is unlawful. Command him therefore to declare before you for what reason he publishes such doctrines.
3. While he was saying thus, Demas and Hermogenes whispered to Thamyris and said: Say that he is a Christian, and he will presently be put to death.
4. But the governor was more deliberate, and calling to Paul, he said, Who are you? What do you teach? They seem to lay gross crimes to your charge.
5. Paul then spoke with a loud voice saying, As I am now called to give an account of my doctrines, O governor, I desire your audience.
6. That God, who is a God of vengeance, and who stands in need of nothing but the salvation of his creatures, has sent me to reclaim them from their wickedness and corruptions, from all sinful pleasures, and from death; and to persuade them to sin no more.
7. On this account, God sent his Son Jesus Christ, whom I preach, and in whom I instruct men to place their hopes as that only person who had such compassion on the deluded world, that it might not be condemned, O governor, but have faith, the fear of God, the knowledge of religion, and the love of truth.
8. So that if I only teach those things which I have received by revelation from God, where is my crime?
9. When the governor heard this, he ordered Paul to be bound and to be put in prison till he could be more at leisure to hear him more fully.
10. But in the night, Thecla took off her earrings and gave them to the turnkey of the prison, who then opened the doors to her and let her in;
11. And when she made a present of a silver looking-glass to the jailor, she was allowed to go into the room where Paul was; then she sat down at his feet and heard from him the great things of God.
12. And as she perceived Paul not to be afraid of suffering, but that by divine assistance he behaved himself with courage, her faith so far increased that she kissed his chains.
CHAPTER 5
1. At length Thecla was missed and sought for by the family and by Thamyris in every street as though she had been lost, but one of the porter's fellow-servants told them that she had gone out in the night.
2. Then they examined the porter and he told them that she was gone to the prison to the strange man.
3. They therefore went according to his direction and found her there; and when they came out, they got a mob together and went and told the governor all that happened.
4. Then he ordered Paul to be brought before his judgment-seat.
5. Thecla in the meantime lay wallowing on the ground in the prison, in that same place where Paul had sat to teach her. Then the governor also ordered her to be brought before his judgment-seat. She received the summons with joy and went.
6. When Paul was brought there, the mob cried out with more vehemence, He is a magician, so let him die.
7. Nevertheless the governor attended with pleasure upon Paul's discourses of the holy works of Christ, and after calling together a council, he summoned Thecla and said to her, Why do you not, according to the law of the Iconians, marry Thamyris?
8. She stood still with her eyes fixed upon Paul, and finding she made no reply, Theocleia her mother cried out, Let the unjust creature be burned; let her be burned in the midst of the theatre for refusing Thamyris, so all women may learn from her to avoid such practices.
9. Then the governor was exceedingly concerned and ordered Paul to be whipped out of the city and Thecla to be burned.
10. So the governor arose and went immediately into the amphitheater; and all the people went forth to see the dismal sight.
11. But Thecla, just as a lamb in the wilderness looks every way to see his shepherd, looked around for Paul;
12. And as she was looking upon the multitude, she saw the Lord Jesus in the likeness of Paul, and said to herself, Paul has come to see me in my distressed circumstances. And she fixed her eyes upon him, but he instantly ascended up to heaven while she looked on him.
13. Then the young men and women brought wood and straw for the burning of Thecla; who, being brought naked to the stake, extorted tears from the governor, who was surprised to see the greatness of her beauty.
14. And when they had placed the wood in order, the people commanded her to go upon it, and she did so, first making the sign of the cross.
15. Then the people set fire to the pile; though the flame was exceeding large, it did not touch her, for God took compassion on her and caused a great eruption from the earth beneath, and a cloud from above to pour down great quantities of rain and hail;
16. So that by the rupture of the earth, very many were in great danger and some were killed, but the fire was extinguished and Thecla preserved.
CHAPTER 6
1. In the meantime Paul, together with Onesiphorus, his wife and children, was keeping a fast in a certain cave which was in the road from Iconium to Daphne.
2. And when they had fasted for several days, the children said to Paul, Father, we are hungry and have nothing with which to buy bread; for Onesiphorus had left all his substance to follow Paul with this family.
3. Then Paul, taking off his coat, said to the boy, Go, child, and buy bread, and bring it back.
4. But while the boy was buying the bread, he saw his neighbor Thecla and was surprised, and said to her, Thecla, where are you going?
5. She replied, I am in search of Paul, having been delivered from the flames.
6. Then the boy said, I will take you to him, for he is greatly concerned on your account, and has been in prayer and fasting these six days.
7. When Thecla came to the cave, she found Paul upon his knees praying and saying, O Lord Jesus Christ, grant that the fire may not touch Thecla, but be her helper, for she is your servant.
8. Thecla, standing behind him, cried out in the following words: O sovereign Lord, Creator of heaven and earth, the Father of your beloved and holy Son, I praise you that you have preserved me from the fire to see Paul again.
9. Paul then arose and when he saw her, said, O God, who searches the heart, Father of my Lord Jesus Christ, I praise you that you have answered my prayer.
10. And there prevailed among them in the cave an entire affection to each other; Paul, Onesiphorus, and all that were with them were filled with joy.
11. They had five loaves, with some herbs and water, and they solaced each other in reflections upon the holy works of Christ.
12. Then said Thecla to Paul, If you be pleased with it, I will follow you wherever you go.
13. He replied to her, Persons are now much given to fornication, and you being handsome, I am afraid you might meet with greater temptation than the former one, and would not withstand it, but be overcome.
14. Thecla replied, Grant me only the seal of Christ, and no temptation shall affect me. 15. Paul answered, Thecla, wait with patience, and you will receive the gift of Christ.
CHAPTER 7
1. Then Paul sent back Onesiphorus and his family to their own home, and taking Thecla along with him, he went to Antioch;
2. And as soon as they came into the city, a certain Syrian named Alexander, a magistrate in the city, who had done many considerable services for the city during his magistracy, saw Thecla and fell in love with her, and endeavored by many rich presents to engage Paul in his interest.
3. But Paul told him, I do not know the woman of whom you speak, nor does she belong to me.
4. But he, being a person of great power in Antioch, seized her in the street and kissed her; which Thecla would not bear, but looking about for Paul, cried out in a distressed loud tone, Force me not, who am a stranger; force me not, who am a servant of God; I am one of the principal persons of Iconium, and was obliged to leave that city because I would not be married to Thamyris.
5. Then she laid hold on Alexander, tore his coat, and took his crown off his head, and made him appear ridiculous before all the people.
6. But Alexander, partly because he loved her and partly being ashamed of what had been done, led her to the governor; and upon her confession of what she had done, he condemned her to be thrown among the beasts.
CHAPTER 8
1. When the people saw this, they said: The judgments passed in this city are unjust. But Thecla desired only the favor of the governor that her chastity might not be attacked, but preserved till she should be cast to the beasts.
2. The governor then inquired who would lodge her, and a certain very rich widow named Tryphaena, whose daughter was lately dead, asked that she might have the keeping of her; and she began to treat her in her house as her own daughter.
3. At length a day came when the beasts were to be brought forth to be seen, and Thecla was brought to the amphitheater in the presence of a multitude of spectators, and put into a den in which was an exceeding fierce she-lion.
4. Tryphaena, without any surprise, accompanied Thecla, and the she-lion licked the feet of Thecla. The title written which denoted her crime was Sacrilege. Then the woman [Tryphaena] cried out, O God, the judgments of this city are unrighteous.
5. After the beasts had been shown, Tryphaena took Thecla home with her, and they went to bed. And behold, the daughter of Tryphaena, who was dead, appeared to her mother and said: Mother, let the young woman Thecla be reputed by you as your daughter in my place, and ask her to pray for me, that I may be translated to a state of happiness.
6. Upon which Tryphaena, with a mournful air, said, My daughter Falconilla has appeared to me and ordered me to receive you in her place; wherefore I desire, Thecla, that you would pray for my daughter that she may be translated into a state of happiness and to life eternal.
7. When Thecla heard this, she immediately prayed to the Lord and said: O Lord God of heaven and earth, Jesus Christ, Son of the Most High, grant that her daughter Falconilla may live forever. Tryphaena hearing this groaned again and said, O unrighteous judgments! O unreasonable wickedness that such a creature should again be cast to the beasts!
8. At daybreak the next morning, Alexander came to Tryphaena's house and said, The governor and the people are waiting; bring the criminal forth.
9. But Tryphaena ran in so violently upon him that he was affrighted and ran away. Tryphaena was one of the royal family; and she thus expressed her sorrow and said: Alas! I have trouble in my house on two accounts, and there is no one who will relieve me, either for the loss of my daughter, or for being unable to save Thecla. But now, O Lord God, you be the helper of Thecla your servant.
10. While she was thus engaged, the governor sent one of his own officers to bring Thecla. Tryphaena took her by the hand, and going with her, said: I went with Falconilla to her grave and now must go with Thecla to the beasts.
11. When Thecla heard this, she prayed weeping and said: O Lord God, whom I have made my confidence and refuge, reward Tryphaena for her compassion to me and for preserving my chastity.
12. Upon this there was a great noise in the amphitheater: the beasts roared, and the people cried out, Bring in the criminal.
13. But the woman [Tryphaena] cried out and said: Let the whole city suffer for such crimes; and order all of us, O governor, to the same punishment. O unjust judgment! O cruel sight!
14. Others said, Let the whole city be destroyed for this vile action. Kill us all, O governor. O cruel sight! O unrighteous judgment!
CHAPTER 9
1. Then Thecla was taken out of the hand of Tryphaena, stripped naked, had an encircling cloth put on, and was thrown into the place appointed for fighting with the beasts. Then the lions and the bears were let loose upon her.
2. But a she-lion, which was of all the most fierce, ran to Thecla and fell down at her feet. At that, the multitude of women shouted aloud.
3. Then a she-bear ran fiercely toward her; but the she-lion met the bear and tore it to pieces.
4. Again, a he-lion who had been accustomed to devour men, and which belonged to Alexander, ran toward her; but the she-lion encountered the he-lion, and they killed each other.
5. Then the women had a greater concern because the she-lion that had helped Thecla was dead.
6. Afterwards they brought out many other wild beasts, but Thecla stood with her hands stretched towards heaven and prayed. When she finished praying, she turned about and saw a pit of water and said, Now is a proper time for me to be baptized.
7. Accordingly she threw herself into the water and said, In your name, O my Lord Jesus Christ, I am this last day baptized. Upon seeing this, the women and the people cried out and said, Do not throw yourself into the water. And the governor himself cried out to think that the sea-calves were likely to devour so much beauty.
8. Notwithstanding all this, Thecla threw herself into the water in the name of our Lord Jesus Christ.
9. But when the sea-calves saw the lightning and fire, they were killed and floated dead on the surface of the water, and a cloud of fire surrounded Thecla so the beasts could not come near her, and the people could not see her nakedness.
10. Yet they turned other wild beasts upon her, at which the women made a very mournful outcry. Some of them scattered spikenard, others cassia, others amomus, others ointment; so that the quantity of ointment was large in proportion to the number of people; and upon this all the beasts lay as though they had been fast asleep and did not touch Thecla.
11. Whereupon Alexander said to the governor, I have some very terrible bulls; let us bind her to them. To which the governor, with concern, replied, You may do what you think fit.
12. Then they put a cord around Thecla's waist, which bound also her feet, and with it tied her to the bulls, to whose privy- parts they applied red-hot irons so that they, being even more tormented, might more violently drag Thecla about till they had killed her.
13. The bulls accordingly tore about, making a most hideous noise; but the flame which was about Thecla burned off the cords which were fastened to the members of the bulls, and she stood in the middle of the arena as unconcerned as if she had not been bound.
14. But in the meantime Tryphaena, who sat upon one of the benches, fainted away and died; then the whole city was greatly concerned.
15. And Alexander himself was afraid and implored the governor, saying: I entreat you, have compassion on me and the city, and release this woman who has fought with the beasts; for fear that both you and I, and the whole city be destroyed:
16. For if Caesar should have any account of what has now taken place, he certainly will immediately destroy the city because Tryphaena, a person of royal extract and a relation of his, is dead upon her seat.
17. Then the governor called Thecla from among the beasts to him and said to her, Who are you? And what are your circumstances, that not one of the beasts will touch you?
18. Thecla replied to him, I am a servant of the living God, and as to my state, I am a believer on Jesus Christ his Son, in whom God is well pleased. For that reason none of the beasts could touch me.
19. He alone is the way to eternal salvation and the foundation of eternal life. He is a refuge to those who are in distress, a support to the afflicted, a hope and defence to those who are hopeless, and in a word, all those who do not believe on him shall not live, but suffer eternal death.
20. When the governor heard these things, he ordered her clothes to be brought and said to her, Put on your clothes.
21. Thecla replied, May that God who clothed me when I was naked among the beasts, in the day of judgment clothe your soul with the robe of salvation. Then she took her clothes and put them on; then the governor immediately published an order in these words: I release to you Thecla the servant of God.
22. Then the women cried out together with a loud voice, and with one accord gave praise unto God and said: There is but one God, who is the God of Thecla; the one God who has delivered Thecla.
23. Their voices were so loud that the whole city seemed to be shaken, and Tryphaena herself heard the glad tidings and arose again, and ran with the multitude to meet Thecla; and embracing her, said: Now I believe there will be a resurrection of the dead; now I am persuaded that my daughter is alive. Come home with me, my daughter Thecla, and I will turn over all that I have to you.
24. So Thecla went with Tryphaena and was entertained there a few days, teaching her the word of the Lord, whereby many young women were converted. So there was great joy in the family of Tryphaena.
25. But Thecla longed to see Paul, and inquired and sent everywhere to find him; and when at length she was informed that he was at Myra in Lycia, she took with her many young men and women. She dressed herself in the habit of a man and went to him in Myra in Lycia. There she found Paul preaching the word of God, and she stood by him amid the throng.
CHAPTER 10
1. It was no small surprise to Paul when he saw her and the people with her, for he imagined some fresh trial was coming upon them;
2. When Thecla perceived this, she said to him: I have been baptized, O Paul, for he who assists you in preaching, has assisted me to be baptized.
3. Then Paul took her and led her to the house of Hermes, and Thecla related to Paul all that had befallen her in Antioch, insomuch that Paul was greatly amazed, and all who heard were confirmed in the faith and prayed for Thecla's happiness.
4. Then Thecla arose and said to Paul, I am going to Iconium. Paul replied to her, Go and teach the word of the Lord.
5. But Tryphaena had sent large sums of money to Paul, and also clothing by the hands of Thecla, for the relief of the poor.
6. So Thecla went to Iconium. When she came to the house of Onesiphorus, she fell down upon the floor where Paul had sat and preached, and, mixing tears with her prayers, she praised and glorified God in the following words:
7. O Lord the God of this house, in which I was first enlightened by you; O Jesus, son of the living God, who was my helper before the governor, my helper in the fire, and my helper among the beasts; you alone are God forever and ever. Amen.
8. On her return, Thecla found Thamyris dead, but her mother living. So she called on her mother and said: Theocleia, my mother, is it possible for you to be brought to a belief that there is but one Lord God who dwells in the heavens? If you desire great riches, God will give them to you by me; if you want your daughter again, here I am.
9. These and many other things she represented to her mother, endeavoring to persuade her, but her mother Theocleia gave no credit to the things which were said by the martyr Thecla.
10. Thecla perceived that she discoursed to no purpose, so she signed her whole body with the sign of the cross, left the house and went to Daphne. When she arrived there, she went to the cave where she had found Paul with Onesiphorus, fell down on the ground, and wept before God.
11. When she departed from there, she went to Seleucia and enlightened many in the knowledge of Christ.
12. And a bright cloud conducted her in her journey.
13. And after she had arrived at Seleucia, she went to a place out of the city about the distance of a furlong, because she was afraid of the inhabitants because they were worshippers of idols.
14. And she was led by the cloud into a mountain called Calamon, or Rodeon. There she abode many years and underwent a great many grievous temptations of the devil, which she bore in a becoming manner by the assistance which she had from Christ.
15. At length certain gentlewomen heard of the virgin Thecla and went to her to be instructed by her in the oracles of God, and many of them abandoned this world and led a monastic life with her.
16. A good report was spread everywhere of Thecla, and she wrought several miraculous cures, so that all the city and adjacent countries brought their sick to that mountain, and before they came as far as the door of the cave, they were instantly cured of whatever they had.
17. The unclean spirits were cast out, making a noise; all received their sick made whole and glorified God, who had bestowed such power on the virgin Thecla;
18. Insomuch that the physicians of Seleucia were now of no more account and lost all the profit of their trade because no one regarded them; this so filled them with envy that they began to contrive what methods to take with this servant of Christ.
CHAPTER 11
1. The devil then suggested bad advice to their minds on a day they met to consult. They reasoned among each other thus: The virgin is a priestess of the great goddess Diana, and whatever she requests from her is granted, because she is a virgin and is therefore beloved by all the gods.
2. Let us procure some rakish fellows, and after we have made them sufficiently drunk and given them a good sum of money, let us order them to go and debauch this virgin, promising them, if they do it, a larger reward.
3. (For they thus concluded among themselves, that if they were able to debauch her, the gods would no more regard her, nor Diana cure the sick for her.)
4. They proceeded according to this resolution, and the fellows went to the mountain, and as fierce as lions to the cave, they knocked at the door.
5. The holy martyr Thecla, relying upon the God in whom she believed, opened the door, although she was before apprized of their design, and said to them, Young men, what is your business?
6. They replied, Is there anyone within whose name is Thecla? She answered, What do you want with her? They said, We intend to lie with her.
7. The blessed Thecla answered: Though I am a humble old woman, I am the servant of my Lord Jesus Christ; and though you have a vile design against me, you will not be able to accomplish it. They replied: It is impossible for us not to be able to do with you what we intend.
8. And while they were saying this, they laid hold on her by main force and would have raped her. Then she with the greatest mildness said to them: Young men, have patience and see the glory of the Lord.
9. And while they held her, she looked up to heaven and said: O God most reverend, to whom none can be likened; who makes yourself glorious over your enemies; who delivered me from the fire, and did not give me up to Thamyris, or give me up to Alexander; who delivered me from the wild beasts; who did preserve me in the deep waters; who have everywhere been my helper and have glorified your name in me;
10. Now also deliver me from the hands of these wicked and unreasonable men, nor suffer them to debauch my chastity which I have always preserved for your honor; for I love you and long for you, and worship you, O Father, Son, and Holy Spirit, forevermore. Amen.
11. Then came a voice from heaven saying, Fear not, Thecla, my faithful servant, for I am with you. Look and see the place which is opened for you; there your eternal abode shall be, and there you will receive the beatific vision.
12. The blessed Thecla looked and saw the rock opened to as large a degree as that a man might enter in. She did as he was commanded, bravely fled from the vile crew, and went into the rock, which instantly closed so that there was not a crack visible where it had opened.
13. The men stood perfectly astonished at so prodigious a miracle and had no power to detain the servant of God, but only caught hold of her veil, or hood, and tore off a piece of it;
14. And even that was by the permission of God, for the confirmation of their faith who should come to visit this venerable place, and to convey blessings in succeeding ages to those who would believe on our Lord Jesus Christ from a pure heart.
15. Thus suffered that first martyr and apostle of God, the virgin Thecla, who came from Iconium at eighteen years of age; afterwards, partly in journeys and travels, and partly in a monastic life in the cave, she lived seventy-two years, so that she was ninety years old when the Lord translated her.
16. Thus ends her life.
17. The day which is kept sacred to her memory is the twenty-fourth of September, to the glory of the Father, and the Son, and the Holy Spirit, now and forevermore. Amen.
08:29
Gepost door marcus
in Algemeen |
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
06-09-09
1.2. Aquarius Evangelie van Jezus de Christus.
____________________________________________________________________________________________________
Deel VI : Vau
Hoofdstuk 21.
Een prins van India, van koninklijke bloede, Ravanna van Orissa in het zuiden, was op het joodse feest aanwezig. Ravanna was zeer rijk, maar hij was rechtvaardig en zocht, tesamen met een groep brahmaanse priesters, wijsheid in het westen.
Toen Jezus tussen de joodse priesters stond en las en sprak, hoorde Ravanna hem en was verbaasd. En toen hij vroeg wie Jezus was, van waar hij kwam en wat hij was, zei de hoofdpriester Hillel : 'Wij noemen dit kind de morgenster van de Hoge, want hij is gekomen om de mensen een licht te brengen, het licht des levens, om de weg der mensheid te verlichten en zijn volk Israël te verlossen'. En Hillel vertelde aan Ravanna alles over het kind, over de wonderen van de nacht toen hij geboren werd, over het bezoek van de magische priesters, over de wijze waarop hij tegen de wraak van kwaadwilligen was beschermd, over zijn vlucht naar Egypte, en hoe hij nu als timmerman met zijn vader in Nazareth werkte. Ravanna was verbijsterd en vroeg de weg naar Nazareth opdat hij daarheen kon gaan om zo iemand als zoon van God, eer te kunnen bewijzen. En met zijn kostelijk uitgedoste gevolg ging hij op weg en kwam in Nazareth in Gallilea. Hij vond het voorwerp van zijn zoeken bezig met het bouwen van woningen voor de mensenkinderen. En toen hij Jezus voor het eerst zag, beklom deze een ladder met twaalf sporten en droeg in zijn handen een kompas, een tekenhaak en een bijl. Ravanna zei : 'Heil u, meest geliefde hemelzoon !'. En in de herberg gaf Ravanna een feest voor de gehele bevolking van de stad, en Jezus met zijn ouders waren de geëerde gasten.
Ravanna was enige dagen lang de gast in de woning van Jozef aan de Marmionweg ; hij speurde naar de bron van wijsheid van de zoon, en het was alles te hoog voor hem. En toen vroeg hij of hij de voogd moch worden over het kind, en hem mocht meenemen naar het oosten, alwaar hij de wijsheid der brahmanen kon leren. En Jezus verlangde erg om te gaan om te kunnen leren, en na vele dagen gaven de ouders hun toestemming.
Toen ging Ravanna, met trots hart, op reis met zijn gevolg naar het land van de opgang van de zon, en na vele dagen gingen ze de Sind over en bereikten de provincie Orissa, en het paleis van de prins. De priesters van Brahma verwelkomden de prins met vreugde en ontvingen de joodse jongen zeer welgezind. En Jezus werd als leerling in de tempel Jagannath aangenomen, en hier leerde hij de Veda's en de wetten van Mani kennen. De brahmaanse meesters waren verwonderd over het heldere begrip van het kind, en stonden verbaasd wanneer hij hun de betekenis van de wetten verklaarde.
Hoofdstuk 22.
Onder de priesters van Jagannath was er een die van de joodse jongen hield. Lamaas Bramas was de naam waaronder de priester bekend was. Op een dag, toen Jezus en Lamaas samen op het plein van Jagannath wandelden, zei Lamaas : 'Mijn joodse meester, wat is waarheid ?'. En Jezus zei : 'Waarheid is het enige dat niet verandert. Er zijn in de wereld twee dingen : de ene is waarheid, de andere is waan ; en waarheid is dat wat IS, en waan is dat wat SCHIJNT te zijn. Nu is waarheid "iets", en heeft geen oorzaak, en toch is zijzelf de oorzaak van alles. Waan is niets, en toch is de manifestatie van iets. Alles wat ooit gemaakt is, zal ongedaan gemaakt worden, en dat wat een begin heeft, moet eindigen. Alle dingen die door menselijke ogen gezien kunnen worden, zijn manifestaties van iets, doch zijn niets, en moeten dus vergaan. Alle dingen die wij zien zijn slechts weerkaatsingen, die op een moment verschijnen omdat de ethers zo en zo vibreren, en wanneer de omstandigheden veranderen, verdwijnen ze. De heilige Adem is waarheid, is dat wat is, dat wat was, en wat eeuwig zal zijn ; deze kan niet veranderen of voorbijgaan'. Lamaas zei : 'Gij antwoordt juist. Maar wat is de mens ?'. En Jezus zei : 'De mens is een wonderlijke verstrengeling van waarheid en waan. De mens is de vleesgeworden Adem, dus waarheid en waan zijn in hem verenigd, en dan worstelen zij, en 'niets' gaat onder, en de mens blijft als waarheid'. Wederom vroeg Lamaas : 'Wat zegt ge va macht ?'. En Jezus zei : 'Het is een manifestatie, een uiting, het resultaat van kracht. Het is slechts 'niets' : macht is een illusie, niets anders. Kracht verandert niet, maar macht veranderdt zoals de ethers veranderen. Kracht is de wil van God en is almachtig, en macht is die wil in openbaring, gericht door de Adem. Er is macht in de winden, een macht in de golven, een macht in de blinkseminslag, een macht in de menselijke arm, een macht in het oog. De ethers zijn de oorzaak van deze machten, en het denken der Elohim, of van de engel, mens, of ander denkend wezen, zijn de krachten die hieraan de richting geven. Wanneer het werk is verricht, is de macht verdwenen'. Wederom vroeg Lamaas : 'Wat kunt ge zeggen over begrip of verstand ?'. En Jezus zei : 'Dit is de rots waarop de mens zichzelf opbouwt ; het is de gnosis van het 'iets' en van het 'niets', van waan en van waarheid. Het is de kennis van het lagere zelf, de gewaarwording van de machten van de mens zelf'. Lamaas vroeg weder : 'Wat kunt ge me zeggen over wijsheid ?'. En Jezus zei : Het is het bewustzijn dat de mens 'iets' is ; en dat God en mens één zijn ; dat 'niets' niets is ; dat macht slechts waan is ; dat hemel en aarde en hel niet boven, rondom, of beneden ons zijn, maar in ons ; die in het lecht van iets niets worden, en God alles is'. Lamaas vroeg : 'Wees zo goed, en zeg me wat geloof is'. En Jezus zei : 'Geloof is de waarborg van het bestaan van de almacht van God en mens ; de zekerheid dat de mens het goddelijk leven zal bereiken. Redding, zaligmaking, is een ladder die vanuit het hart van de mens tot het hart van God reikt. Deze ladder heeft drie sporten : geloof is de eerste en hetgeen de mens 'denkt' is misschien waarheid. Vertrouwen is de volgende en dit is waarvan men 'weet' dat het de waarheid is. De verwezenlijking is de laatste, en dat is de mens zelf ; de waarheid. Geloof gaat op in vertrouwen en beide gaan op in verwezenlijking ; en de mens is gered wanneer hij het goddelijk leven heeft bereikt, wanneer hij en God één zijn'.
Hoofdstuk 23.
Jezus ging met zijn vriend Lamaas door alle provincies van Orisa en de vallei van de Ganges, op zoek naar wijsheid van de sudra's, de visya's, en van de meesters. Benares aan de Ganges was een stad rijk aan cultuur en wetenschap. Hier bleven de twee rabbi's vele dagen. En Jezus wenste de Hindoese wijze van genezen lere en werd de leerling van Udraka, de grootste der Hindoegenezers. Udraka onderwees het gebruik van water, planten en aarde, van koude en hitte, van zonneschijn en schaduw, van licht en donker. Hij zei : 'De wetten van de natuur zijn de wetten van gezondheid, en hij die volgens deze wetten leeft, is nooit ziek. Overtreding van deze wetten is zonde, en hij die zondigt, is ziek. Hij die deze wetten gehoorzaamt, bewaart een evenwicht in alle delen van zijn lichaam en verzekert zich van wareharmonie. En harmonie is gezondheid, terwijl disharmonie ziekte is. Dat wat harmonie brengt in alle delen van het menselijk lichaam is medicijn, en verzekert gezondheid. Het lichaam is een klavecimbel en wanneer zijn snaren te slap of te sterk gespannen staan, is het instrument ontstemd, de mens is ziek. Nu zijn alle dingen in de natuur gemaakt om tegemoet te komen aan de behoeften van de mens ; daarom wordt alles gevonden in de geheime geneesmiddelen. En Wanneer het klavecimbel van de mens ontstemd is, kan de onmetelijke uitgestrektheid van de natuur doorzocht worden om het geneesmiddel te vinden : er is een geneesmiddel voor iedere ziekte van het vlees. Natuurlijk is de wil van de mens het suprême geneesmiddel, en door de krachtige inspanning van de wil kan een mens een verslapt koord weer strakker maken, of hij kan een te grote spanning doen verminderen, en aldus zichzelf helpen. Wanneer de mens het stadium heeft bereikt waarin hij vertrouwen heeft in God, in de natuur en in zichzelf, dan kent hij het machtwoord ; dit woord is balsem voor iedere wond, is genezing voor alle kwalen van het leven. De genezer is de mens die vertrouwen kan inspireren. De tong kan spreken tot menselijke oren, maar zielen worden bereikt door zielen die tot zielen spreken. Hij is de krachtige mens wiens ziel groot is en die zielen kan binnengaan, en hoop kan brengen in die zielen die geen hoop meer hebben en vertrouwen in hen die geen vertrouwen hebben, noch in God, noch in de natuur, noch in de mens. Er is geen universele balsem voor hen die de platgetreden wegen des levens gaan. Duizend dingen veroorzaken disharmonie en maken de mensen ziek, en duizend dingen zijn in staat het klavecimbel te stemmen en de mensen gezond te maken. Wat voor de ene een geneesmiddel is, is voor de ander vergif, daarom wordt de een genezen door iets wat een ander zou doden. Een kruid kan de een genezen, een dronk water kan een ander herstellen, een vleugje berglucht kan iemand die schijnbaar hopeloos ziek is, tot genezing brengen. Een kooltje vuur of een beetje aarde kan de een genezen, en een ander kan zich in bepaalde rivieren of in poelen wassen, en gezond worden. De waarde van de hand of de adem kan duizend maal meer genezen, maar liefde in koningin. Gedachte - versterkt door liefde - is Gods grote oppermachtige balsem. Maar vele van de gebroken koorden in het leven en de disharmonieën die de ziel zo knauwen, worden veroorzaakt door de boze geesten in de lucht, die de mensen niet zien, die de mensen door hun onwetendheid misleiden en de wetten der natuur en de wetten van God verbreken. Deze machten handelen als demonen, zij verscheuren de mens, zij drijven hem tot wanhoop. Maar hij die een werkelijke genezer is, is meester van de ziel, en kan door de kracht van de wil over deze kwaadwilligen de baas worden. Sommige luchtgeesten zijn meestergeesten en zijn sterk, te sterk voor menselijke macht alleen, maar de mens heeft helpers in de hogere regionen die ingeschakeld mogen worden, en dezen zullen de demonen helpen uitdrijven'. Dit is de samenvatting van wat deze grote heelmeester zei. En Jezus boog zijn hoofd in erkentenis van de wijsheid van deze grote ziel, en vervolgde zijn weg.
Hoofdstuk 24.
De joodse jongen verbleef vier jaren in de tempel van Jagannath. Op een dag zat hij tussen de priesters en zei tot hen : 'Weest zo goed en vertel mij alles over uw inzichten betreffende de kasten. Waarom zegt gij dat alle mensen niet voor God gelijk zijn ?'. Een meester van hun wetten stond op en zei : 'De Eénheilige die wij Brahma noemen, schiep de mensen naar eigen goeddunken, en de mensen hebben niet het recht zich te beklagen. In de eerste dagen van menselijk leven sprak Brahma, en vier mensen stonden voor zijn aangezicht. Aldus, uit de mond van Parabrahm, kwam de eerste mens. En deze was blank, hij was als Brahma zelf, en hij werd een brahmaan genoemd. En hij was groot en had een rijzige gestalte : staande stak hij boven iedereen uit. Hij behoefde niet te werken. En hij werd genoemd de priester van Brahma, de heilige die voor Brahma in alle aardse aangelegenheden moest handelen. De tweede mens was rood en kwam uit de hand van Parabrahm, en hij werd shatriya genoemd. Hij was geschapen om de koning te zijn, de regeerder en de krijgsman, wiens hoogste plicht de bescherming van de priester was. En uit de innerlijke delen van Parabrahm kwam de derde mens, en hij werd visya genoemd. Hij was geel en zijn taak was de grond te bebouwen en de schapen en het vee te hoeden. En uit de voeten van Parabrahm kwam de vierde mens, en deze was zwart. Hij werd de sudras genoemd, van de laagste stand. De sudra is de dienaar van het menselijk ras, en hij heeft geen rechten die anderen moeten respecteren. Hij mag niet de Veda's horen lezen, en een priester in het gelaat zien, of een koning in het gelaat zien ; dit zou de dood voor hem betekenen. En niets dan de dood kan hem uit deze staat van dienstbaarheid bevrijden'.
En Jezus zei : 'Dan is Parabrahm geen god van gerechtigheid en recht, want met zijn eigen sterke hand heeft hij de een verheven en de ander verlaagd'. En Jezus zei niets meer, maar zijn ogen naar de hemel opheffende, vervolgde hij : 'Mijn Vader-God die was en is en in eeuwigheid zal zijn, die in Uw handen de weegschaal houdt van rechtvaardigheid en recht, die in de grenzeloosheid Uwer liefde alle mensen tot gelijken gemaakt heeft, de blanke, de zwarte, de gele, en de rode mensen mogen U in het gelaat zien en zeggen : onze Vader-God. Gij, Vader van het menselijke ras, ik prijs uw naam'. En alle priesters werden geërgerd door Jezus' woorden, zij stormden op hem af, grepen hem vast en zouden hem kwaad gedaan hebben. Maar toen hief Lamaas zijn hand op en zei : 'Gij priesters van Brahma, neemt u in acht, gij weet niet wat ge doet ! Wacht totdat gij de God kent, die deze jongen aanbidt. Ik heb deze jongen in gebed waargenomen en gezien dat een licht, ver uitgaande boven het zonlicht, hem omringde. Neemt u in acht ! Zijn God kan wel eens machtiger zijn dan Brahma. Als Jezus de waarheid spreekt, als hij gelijk heeft,kunt u hem niet forceren op te houden. Als hij ongelijk heeft, zullen zijn woorden niets uitrichten, want recht is macht en zal aan het einde zegevieren'. En toen weerhielden de priesters zich om Jezus kwaad te doen, maar één hunner zei : 'Heeft deze vermetele jongen binnen dit heiligdom Parabrahm geen geweld aangedaan ? De wet is duidelijk, deze zegt : hij die de naam van Brahma beschimpt, zal sterven'. Lamaas pleitte voor het leven van Jezus, en toen grepen de priesters een zweep van touwen en verdreven hem uit de tempel.
En Jezus vervolgde zijn weg, en vond een schuilplaats bij de zwarte en gele mensen, de dienaren en bebouwers van de grond. Aan hen maakte het het eerst het evangelie van gelijkheid bekend, hij vertelde hen over de broederschap van de mens en het vaderschap van God. Het gewone volk hoorde hem met vreugde en leerde bidden : Onze Vader die in de hemelen zijt.
Hoofdstuk 25.
Toen Jezus zag hoe de vogelvrijen en de boeren in zo grote getale naderbij kwamen om zijn woorden te horen, vertelde hij hun een gelijkenis, en zei : 'Een edelman had een uitgestrekt landgoed. Hij had vier zonen en wenste dat zij allen sterk zouden opgroeien, goede posities zouden innemen, en gebruik zouden maken van de talenten die zij hadden ontvangen. En daarom gaf hij aan elk van hen een gedeelte van zijn groot vermogen, en liet ze verder hun gang gaan. De oudste zoon was zelfbewust en eerzuchtig, slim en doordacht. Hij zei bij zichzelf : ik ben de oudste zoon en de deze, mijn broeders moeten dienaren zijn aan mijn voeten. En toen riep hij zijn broeders tesamen. Eén maakte hij tot schijnkoning, gaf hem een zwaard en groeg hem op het gehele landgoed te beschermen. Aan een ander gaf hij het gebruik van de landerijen, de stromende bronnen, kudden schapen en vee, en droeg hem op de grond te bebouwen, de schapen en het vee te hoeden en hem het allerbeste van zijn aanwinst te brengen. En tot de laatste zei hij : gij zijt de jongste zoon, maar het uitgestrekte landgoed is toegewezen. Gij hebt part noch deel aan iets ervan. En toen nam hij een ketting en boeide zijn broer vast aan een naakte rots in een verlaten oord, en zei tot hem : gij zijt als slaaf geboren, gij hebt geen rechten, gij moet tevreden zijn met uw lot want er is geen bevrijding voor u tot ge sterft en van hier gaat.
Na een zeker aantal jaren kwam de afrekening : de edelman riep zijn zonen op om verantwoording te geven. En toen hij vernam dat zijn oudste zoon het hele landgoed had ingepalmd en zijn broeders tot slaven had gemaakt, greep hij hem, rukte zijn priesterlijke gewaden af en zette hem in een gevangeniscel, alwaar hij moest blijven tot hij het door hem gedane kwaad had goedgemaakt. En daarna gooide hij, hoewel het maar speelgoed was, de troon en de wapenrusting van de schijnkoning in de lucht en brak het zwaard. Toen riep hij zijn zoon, de landbouwer, en vroeg hem waarom hij zijn broer in het verlaten oord niet van zijn knellende ketens had bevrijd. En toen de zoon geen antwoord gaf, nam de vader de schapen en het vee en de landerijen en de stromende bronnen voor zichzelf, en zond zijn zoon de landbouwer naar verlaten zanderige gronden om daar te leven totdat hij al het door hem gedane kwaad had goedgemaakt. Daarna ging de vader heen en vond zijn jongste zoon in gruwelijke ketenen, die hij met eigen handen verbrak, en liet zijn zoon in vrede gaan. Nadat de zonen hun schulden hadden afgelost, kwamen ze voor een rechtbank. Allen hadden ze hun lessen geleerd, en toen verdeelde de vader nog eens het landgoed. Hij gaf aan ieder een gelijk aandeel, en drukte hen op het hart de wet van billijkheid en recht te erkennen en in vrede te leven'.
En één, een vogelvrije, sprak : 'Wij, die slechts slaven zijn, en die kort worden gehouden als beesten om de kuren van de priesters te bevredigen, mogen wij de hoop hebben dat iemand zal komen om onze ketenen te verbreken en ons de vrijheid te geven ?'. En Jezus zei : 'De Eénheilige heeft gezegd dat al zijn kinderen vrij zullen zijn, en iedere ziel is een kind van God. De vogelvrijen zullen even vrij zijn als de priesters, de landbouwer zal hand in hand gaan met de koning, want de gehele wereld zal de broederschap van de mens erkennen. O, mensen, heft u op, weest u bewust van uw macht, want hij die wil, hoeft geen slaaf te blijven. Leef precies zoals ge zoudt willen dat uw broeder leefde, ontplooi u elke dag meer zoals een bloem dat doet, want de aarde is de uwe en God zal u tot uw eigendom voeren'. En het gehele volk riep : 'Toon ons de weg, opdat ook wij als een bloem zullen ontplooien en in onze eigendom zullen komen'.
Hoofdstuk 26.
Jezus leerde in alle steden van Orissa. In Katak leerde hij aan de oever van de rivier, en duizenden uit het volk volgden hem. Eens werd een wagen van Jagannath voortgetrokken door een massa waanzinnige mensen, en Jezus zei : 'Waarlijk, daar gaat een vorm zonder geest voorbij, een lichaam zonder ziel, een tempel zonder altaarvuren. Deze wagen van Krishna is een leeg ding, want Krishna is daar niet. Deze wagen is slechts een afgodsbeeld van een volk dat dronken is door de wijn van vleselijke dingen. God leeft niet in het geraas van druk gepraat, en er gaat geen weg tot Hem van welk afgodsaltaar ook. De plaats van ontmoeting van God en mens is in het hart en hij spreekt met een zachte stille stem ; en hij die deze hoort, is stil'. En het hele volk zei : 'Leer ons deze Eénheilige die binnen in het hart spreekt, de God van de stille zachte stem, kennen'. En Jezus zei : 'De heilige adem kan niet met sterfelijke ogen gezien worden, noch kunnen de mensen de geesten van de Eénheilige zien. Maar de mens was naar hun beeld gemaakt, en hij die een mens in het gelaat ziet, ziet het beeld van de God die van binnen spreekt. En wanneer een mens een ander mens eert, dan eert hij God, en wat een mens doet voor een ander mens, doet hij voor God. En ge moet eraan denken dat, wanneer een mens in gedachten woord en daad een ander mens leed aandoet, hij God onrecht aandoet. Indien gij de God die in het hart spreekt zoudt willen dienen, dien dan uw naaste verwanten, en zij die geen verwanten zijn, de vreemdelingen binnen uw poorten, de vijand die u kwaad wil. Sta de armen bij en help de zwakken ; doe niemand kwaad en begeer niet wat niet het uwe is. Dan zal door uw tong de Eénheilige spreken, en hij zal achter uw tranen glimlachen, zal uw voorkomen met vreugde doorlichten en uw hart met vrede vervullen'.
En toen vroeg het volk : 'Aan wie zullen wij onze gaven brengen ? Waar zullen we onze offeranden offeren ?'. En Jezus zei : 'Onze Vader-God vraagt niet om onnodige verspilling van planten of graan, of duif of lam. Hetgeen ge op welk altaar ook verbrandt, is weggegooid. Geen zegen kan op hem rusten die het voedsel uit hongerige monden neemt om het in het vuur te laten verbranden. Wanneer gij onze God een offer zoudt willen aanbieden, neem dan uw gave van graan of vlees en leg het op de tafel van de arme. Hiervan zal de wierook ten hemel stijgen, en deze zal met zegen beladen tot u terugkeren. Breek uw afgoden af : zij kunnen u niet horen. Verander al uw offeraltaren in brandstof voor de vlammen. Maak menselijke harten tot uw altaren en verbrand uw offerande met het vuur der liefde'. En alle mensen kwamen in vervoering en zouden Jezus hebben willen eren als een God, maar hij zei : 'Ik ben uw broeder en mens, en gekomen om u de weg tot God te wijzen ; gij zult geen mens aanbidden : prijs God, de Eénheilige'.
Hoofdstuk 27.
De naam van Jezus als lerar verspreidde zich over het gehele land en de mensen kwamen van heinde en ver om naar zijn woorden van waarheid te luisteren. In Behar, aan de heilige rivier van de brahmanen, leerde hij vele dagen. En Ach, een schatrijke inwoner van Behar, gaf een feest ter ere van zijn gast, en nodigde iedereen uit. En velen kwamen, waaronder ook dieven, afzetters en courtisanes. En Jezus zat tussen hen en leerde, maar zij die hem volgden waren zeer gekrenkt omdat hij tussen dieven en vrouwen van lichte zeden zat. Zij maakten hem verwijten en zeiden : 'Rabbi, meester der wijzen, dit zal een kwade dag voor u zijn. Het nieuws dat u zich ophoudt met dieven en vrouwen van lichte zeden, zal zich verspreiden, en de mensen zullen u schuwen als een adder'. En Jezus antwoordde hen en zei : 'Een meester doet wat hij denkt dat goed is, en stoort zich verder niet aan wat men zegt, aan reputatie of goede naam. Ze zijn slechts waardeloze beuzelingen van de dag ; ze rijzen en dalenals lege flessen in een stroom ; het zijn slechts illusies en zullen voorbijgaan. Ze geven aan wat de onbezonnen denken ; ze zijn het geraas dat mensen maken, en oppervlakkige mensen beoordelen verdienste naar het geraas. God en alle meesters onder de mensen beoordelen mensen naar wat ze zijn en niet naar wat ze schijnen te zijn, niet naar hun reputatie en hun goede naam. Deze vrouwen van lichte zeden en deze dieven zijn kinderen van mijn Vader-God : hun zielen zijn voor hem even kostbaar als de uwe of die van de brahmaanse priesters. En zij werken dezelfde levenssommen uit als u, die prat gaat op uw achtenswaardigheid en moraliteit. En sommigen van hen hebben moeilijkere sommen opgelost dan gij allen die met verachting op hen neerzien. Ja, zij zijn zondaars, en belijden hun schuld, terwijl gij ook schldig zijt, maar wel slim genoeg om met een beschaafde jas uw schuld te bedekken. Gij, mensen, die deze vrouwen, deze dronkaards, en deze dieven verachten, die weten dat gij zelf in uw hart en leven zuiver zijt, dat gij veel beter zijt dan zij, komt naar voren opdat de mensen mogen weten wie gij werkelijk zijt ! De zonde ligt in de wens, in de begeerte, niet in de daad. Gij begeert de weelde van anderen ; gij kijkt naar bekoorlijke vormen en diep in uw harten hebt gij een vurige begeerte naar dit alles. Bedrog pleegt ge elke dag en er leeft in u de wens naar goud, naar eer en roem, alles voor uw lagere zelf. De mens die begeert, is een dief, en de vrouw met zinnelijke begeerten is een courtisane, een overspeelster. Gij die niets van deze dingen in u heeft, kom naar voren en spreek'.
Niemand sprak : de beschuldigers hielden hun mond dicht. En Jezus zei : 'Dit is het bewijs tegen alle beschuldigers. De reinen van hart beschuldigen niet. De laaghartigen die hun schuld moeten bedekken met de heilige rook van medelijden, dat zijn de weerzinwekkende dronkaards, dieven, en overspeligen. Dit vertoon van weerzin en verachting is slechts een farce, want als de klatergouden jas van de reputatie weggetrokken kon worden, zou de luidruchtige professor gevonden worden, zwelgend in zijn begeerte, bedrog en in velerlei vormen van geheime zonde. De mens die zijn tijd besteedt met het wieden van onkruid van een ander, heeft geen tijd zijn eigen onkruid te wieden, en de meest uitgezochte levensbloemen zullen verstikken en sterven, en zullen er alleen distels en doornen overblijven'. En Jezus vertelde een gelijkenis, en zei : 'Een landeigenaar had grote velden met rijpend graan, en toen hij ze bekeek, zag hij dat vele korenhalmen de bladeren waren beschadigd. En hij zond zijn maaiers uit en zei : wij willen die korenaren met de gebroken bladeren niet bewaren ; gaat dus en verbrandt de aren met gekneusde bladeren. En na vele dagen ging hij heen om zijn hoeveelheid graan op te meten, maar hij kon geen korrel vinden. En toen riep hij de oogsters en vroeg hen : waar is mijn graan ? Zij antwoordden hem en zeiden : we hebben gedaan zoals u gezegd hebt : we hebben de halmen met gebroken bladeren bij elkaar gezocht en verbrand, en toen was er geen halm meer over om naar de schuur te brengen'. En Jezus vervolgde : 'Wanneer God alleen hen behouden wil die geen gekneusde bladeren hebben, die dus alleen volmaakt zijn op het oog, wie zal er dan gered worden ?'. En de beschuldigers gingen met hangende hoofden vol schaamte weg.
Hoofdstuk 28.
Benares is de heilige stad der brahmanen en aldaar onderwees Jezus ; Udraka was zijn gastheer. Udraka gaf een feest ter ere van zijn gast, en vele hooggeplaatste hindoepriesters en schrijvers waren daar. En Jezus zei tot hen : 'Met grote vreugde spreek ik tot u over het leven, de broederschap van het leven. De universele God is één, maar toch is Hij meer dan één ; alle dingen zijn God, alle dingen zijn één. Door de liefelijke adem Gods is alle leven in één verbonden. Dus wanneer gij een vezel van een levend ding aanraakt, zendt ge een trilling vanuit het centrum tot in de uiterste grenzen van het leven. En wanneer gij onder uw voet de geringste worm vermorzelt, dan doet ge de troon van God schudden, en zijt ge oorzaak dat het zwaard van recht in zijn schede trilt. De vogel zingt zijn lied voor de mensen en de mensen vibreren tesamen om het diertje te helpen zingen. De mier bouwt haar huis, de bij haar beschermende honingraat, de spin weeft haar web, en de bloemen beademen hen met hun liefelijke geuren met een kracht, die hun weer sterkte geeft om de arbeiden. Nu, mensen en vogels en dieren en kruipende wezens zijn vlees geworden godheden, en daarom : hoe durven de mensen iets doden ? Het is de wreedheid die de wereld verkeerd doet gaan. Wanneer de mensen geleerd hebben dat zij, wanneer ze een levend iets leed aandoen, zichzelf leed berokkenen, dan zouden zij zeker niet doden, noch er de oorzaak van willen zijn dat iets wat God gemaakt heeft, pijn lijdt'.
Een rechtsgeleerde zei : 'Wees zo goed, Jezus, en vertel mij wie die God is, over wie gij spreekt ; waar zijn zijn priesters, zijn tempels en altaren ?'. En Jezus zei : De God over wie ik spreek is overal : hij kan niet omringd worden door muren, noch beperkt worden door welke banden ook. Alle mensen aanbidden God, de Ene, maar alle mensen zien hem niet gelijk. De universele God is wijsheid, wil, en liefde. Niet alle mensen zien die drieënige God. De een ziet hem als een God van macht, de ander als de God van het denken, en nog een ander als de God van liefde. Het ideaal van de mens is zijn God, en dus, wanneer de mens zich ontplooit, ontplooit zijn God zich ook. De God van de mens van vandaag is niet de God van morgen. De volkeren der aarde zien God vanuit verschillende gezichtspunten en daarom lijkt hij niet voor iedereen dezelfde. De mens geeft aan het deel dat hij van God ziet, een naam, en dit deel is de gehele God voor hem, en ieder volk ziet een deel van God en ieder volk heeft een naam voor die God. Gij, brahmanen, noemt hem Parabrahm, in Egypte heet hij Toth, en Zeus is de naam in Griekenland, Jehovah is zijn hebreeuwse naam, maar overal is hij de oorzaakloze oorzaak, de wortelloze wortel waaruit alle dingen gegroeid zijn. Wanneer de mensen bevreesd worden voor God en hem voor een vijand aanzien, gaan zij andere mensen in mooie gewaden aankleden en noemen die priesters. En ze dragen hen op, de wraak van God door gebeden te beteugelen, en wanneer het door hun gebeden niet lukt, kopen ze Hem af door het offeren van een dier of vogel. Wanneer de mens God ziet als zijnde één met hem, dan heeft hij geen priester als tussenpersoon nodig om te bemiddelen. Hij gaat rechtstreeks tot Hem en zegt : mijn Vader-God, en dan legt hij zijn hand in Gods eigen hand en alles is goed. En dit is God. Gij zijt, ieder van u, een priester alleen voor uzelf, en een bloedoffer heeft God niet nodig. Geef dus uw leven in offerende dienst voor alles wat leeft, en God is tevreden'.
Toen Jezus aldus gesproken had, ging hij terzijde staan. De mensen waren verbaasd, maar waren het met elkaar niet eens. Sommigen zeiden : 'Hij is geïnspireerd door de heilige Brahma', en anderen zeiden : 'Hij is krankzinnig' ; weer anderen zeiden : 'Hij is bezeten, hij spreekt zoals duivels spreken'. Maar Jezus toefde niet lang. Onder de gasten was een landbouwer, een oprechte ziel, een zoeker naar waarheid, die de door Jezus gesproken woorden met zijn hart verstond ; en Jezus ging met hem mede en verbleef in diens woning.
Hoofdstuk 29.
Onder de tempelpriesters van Benares was een gast, Ajainin van Lahore. Door kooplieden hoorde Ajainin over de joodse jongen, over zijn woorden van wijsheid, en hij gordde zichzelf en reisde weg uit Lahore om de jongen te zien en te horen spreken. De Brahmapriesters namen de waarheid die Jezus bracht niet aan, en waren zeer vertoornd over alles wat hij op het feest van Udraka gezegd had. Maar zij hadden de jongen nooit gezien en zij wilden hem graag horen spreken, en nodigden hem uit als tempelgast.
Maar Jezus zei tot hen : 'Het licht is meer dan overvloedig en het schijnt voor iedereen, als ge het licht wilt zien, komt dan tot het licht. Als ge de boodschap wilt horen die de Eénheilige mij heeft gegeven om aan de mensen door te geven, kom dan tot mij'. Toen nu de priesters hoorden wat Jezus gezegd had, waren ze woedend. Ajainin deelde hun toorn niet, en hij zond een boodschapper met kostbare gaven naar Jezus in de woning van de landbouwer, met de boodschap : 'Ik bid u meester, luister naar mijn woorden : de brahmaanse wet verbiedt dat een priester de woning van iemand van lage afkomst binnen gaat, maar gij kunt tot ons komen. En ik ben er zeker van dat deze priesters blij zullen zijn u te horen spreken. Ik bid u te komen en vandaag met ons te dineren'. En Jezus zei : 'De Eénheilige beziet alle mensen als gelijken, de woning van mijn gastheer is goed genoeg voor elke vergadering van mensenkinderen. Wanneer kastentrots u weerhoudt, zijt gij het licht niet waardig. Mijn Vader-God geeft geen acht op de mensenwetten. Uw geschenken zend ik terug : gij kunt de kennis van God niet met goud of kostbare gaven kopen'.
Deze woorden van Jezus ergerden de priesters steeds meer, en zij begonnen samen te spannen hoe zij hem uit het land konden verdrijven. Ajainin deed hieraan niet mee : hij verliet 's nachts de tempel en zocht het huis waar Jezus woonde. En Jezus zei : 'Er is geen nacht waar de zon schijnt, ik heb geen geheime boodschappen te geven : in het licht worden alle geheimen openbaar'. Ajainin zei : 'Ik kom van heel ver, van Lahore, om iets te mogen leren van de oeroude wijsheid en over het koninkrijk van de Eénheilige, waarover gij spreekt. Waar is dat koninkrijk ? Waar is de koning ? Wie zijn de onderdanen ? Wat zijn zijn wetten ?'. En Jezus zei : 'Dit koninkrijk is niet ver weg, maar de mens kan het met stoffelijke ogen niet zien : het is in het hart. Gij moet de koning niet op aarde zoeken, of op zee, of in de lucht ; daar is hij niet, en toch is hij overal. Hij is de Christus van God, universele liefde. De poort van dit gebied is niet hoog, en hij die binnengaat moet niet knielen. Hij is niet wijd open en niemand kan er stoffelijke bundels doorheen dragen. Het lagere zelf moet getransmuteerd worden in het geestelijke Zelf, het lichaam moet in levende stromen van reinheid gewassen worden'. Ajainin vroeg : 'Kan ik een onderdaan van deze koning worden ?'. En Jezus zei : 'Gij zijt zelf een koning en gij moogt door de poort binnengaan en een onderdaan van de Koning der koningen zijn. Maar ge moet uw priesterlijke gewaden opzij leggen, ge moet ophouden de Eénheilige tegen betaling van goud te dienen, ge moet uw leven geven en uw hele bezit, in vrijwillige dienstbaarheid aan de mensenkinderen'.
En Jezus zei niets meer. Ajainin ging zijn weg, en hoewel hij de waarheid van het door Jezus gesprokene niet begreep, zag hij wat hij nog nooit tevoren gezien had. Het gebied van vertrouwen had hij nog nooit geëxploreerd, maar de zaden van vertrouwen en universele broederschap vonden in zijn hart goede grond. En terwijl hij naar huis terugkeerde, leek het of hij sliep en door de donkerste nacht heentrok, en toen hij ontwaakte was de zon der gerechtigheid opgegaan : hij had de koning gevonden. Jezus verbleef nog vele dagen in Benares en leerde.
Hoofdstuk 30.
Op een dag dat Jezus aan de Ganges bezig was met zijn arbeid, kwam een caravan, die van het westen terugkeerde, naderbij. En iemand naderde Jezus en zei : 'Wij komen juist van uw geboorteland, en moeten u een onaangenaam bericht overbrengen. Uw vader is overleden ; uw moeder heeft veel verdriet, en er is niemand die haar kan troosten. Zij vraagt zich af of gij nog leeft, en verlangt u weer te zien'. En Jezus boog zijn hoofd en dacht stil na, en toen begon hij te schrijven. Het volgende is een samenvatting van wat hij schreef : 'Mijn moeder, edelste der vrouwen, zojuist verneem ik van iemand die uit mijn geboorteland komt dat vader niet meer in de stof is, en dat u verdriet hebt en onstroostbaar bent. Mijn moeder, alles is wel, wel voor vader en voor u. Zijn werk in deze aarde-ronde is gedaan en het is op nobele wijze gedaan. En op al de wegen des levens kan niemand hem beschuldigen van misleiding, oneerlijkheid, noch van kwade bedoelingen. Hier in deze ronde heeft hij vele moeilijke taken volbracht, en hij is heengegaan, toebereid om de problemen van de ziele-ronde op te lossen. Onze Vader-God is daar met hem, zoals Hij hier met hem was, en zijn engel bewaakt zijn voetstappen opdat hij niet kan verdwalen. Waarom zoudt gij wenen ? Tranen kunnen verdriet niet wegnemen. Verdriet heeft niet de macht een gebroken hart te helen. Het niveau van verdriet is ledigheid ; een ziel die druk bezig is, kan geen verdriet hebben ; zij heeft geen tijd voor verdriet. Wanneer verdriet met golven het hart binnenkomt, verlies dan uzelf : duik diep onder in liefdebetoon, en verdriet zal verdwijnen. Liefdebetoon hoort bij u en de hele wereld hunkert naar liefde. Laat los wat voorbij is met het gehele verleden, stijg uit boven de zorgen om stoffelijke dingen, en geef uw leven voor hen die leven. En wanneer gij uw leven verliest in dienst van het leven, kunt ge er zeker van zijn dat ge daardoor de ochtendzon en nachtelijke dauw zult vinden in het lied van de vogel, in de bloemen, en in de sterren van de nacht. Nog een kleine tijd, en uw problemen van deze aarde-ronde zullen opgelost zijn. En wanneer uw opgaven uitgewerkt zijn, zal het voor u een onvermengde vreugde zijn binnen te gaan in wijdere velden van dienst om de grotere problemen van de ziel op te lossen. Tracht dus tevreden te zijn, en ik zal op een of andere dag tot u komen en kostbaarder geschenken dan goud of kostbare stenen voor u meebrengen. Ik ben er zeker van dat Johannes voor u zal zorgen en u alles zal verschaffen wat ge nodig hebt. Ik ben de gehele weg met u. Jehoshua'. En door bemiddeling van een koopman, die naar Jeruzalem ging, zond hij deze brief weg.
Hoofdstuk 31.
De woorden en werken van Jezus veroorzaakten onrust door het gehele land. de mensen uit het gewone volk waren zijn vrienden en volgden hem in drommen. De priesters en de bestuurders waren bang voor hem, zijn naam alleen al deed hun de schrik om het hart slaan.
Hij predikte de broederschap van al wat leeft, de rechtvaardigheid van gelijke rechten en verklaarde de nutteloosheid van priesters en offeringen. Hij deed de grond waarop het brahmaanse systeem gevestigd was, schudden. Hij maakte de afgoden zo klein, en de offeranden zo beladen met zonde, dat altaren en gebedsmolens vergeten werden. De priesters verklaarden dat, wanneer deze hebreeuwse jongen nog langer in het land zou blijven, een revolutie zou uitbreken, dat het gewone volk zou opstaan en de priesters doden en de tempels neerhalen. En dus zonden zij een oproep en kwamen de priesters van elke provincie bijeen. Benares stond in vlam van brahmaanse geloofsijver.
Lamaas van de tempel Jagannath, die het innerlijke leven van Jezus goed kende, was in hun midden en hoorde het fulmineren van de priesters. Hij stond op en zei :'Mijn priesterlijke broeders, neemt u in acht ! Weest voorzichtig in wat ge doet, dit is een historische dag. De ogen van de wereld zijn op ons gericht ; het leven van het brahmaanse denken wordt nu op de proef gesteld. Als we niet voor rede vatbaar zijn, en als vooroordeel vandaag koning is, en als wij onze toevlucht nemen tot beestachtig krachtvertoon en onze handen in bloed dopen, dan zal zijn wraak op ons neerkomen. De vaste rots waarop wij staan, zal onder onze voeten splijten en ons geliefd priesterdom en onze wetten en onze altaren zullen in verval geraken'.
Maar zij wilden hem niet laten uitspreken : de vergramde priesters vlogen op hem af en sloegen hem, bespuwden hem, noemden hem een verrader, en gooiden hem bloedend op straat. En toen heerste onbeschrijfelijke verwarring ; de priesters werden tot gespuis ; het zien van menselijk bloed gaf aanleiding tot vijandigheden en riep om meer.
De leiders, die bang waren voor oorlog, zochten Jezus en zij vonden hem rustig lerende op de markt. Zij verzochten hem dringend te vertrekken om zijn leven te redden ; mar hij weigerde weg te gaan. En toen zochten de priesters een reden om hem te arresteren ; maar hij had geen misdaad begaan. En toen werden valse beschuldigingen tegen hem ingebracht, maar toen de soldaten kwamen om hem naar de rechtzaal te leiden, werden zij bang, want het volk verdedigde hem. De priesters waren verbijsterd en besloten hem door sluipmoord om het leven te brengen. Zij vonden een man die moordelaar van beroep was, en zonden hem erop uit om het voorwerp van hun toorn 's nachts te doden. Lamaas hoorde van het komplot en plannen, en zond een boodschapper om zijn vriend te waarschuwen.
Jezus haastte zich om te vertrekken. In de nacht verliet hij Benares, en reisde met spoed naar het noorden. En overal onderweg hielpen hem de landbouwers, de kooplieden, en de vogelvrijen. En na vele dagen bereikte hij de machtige Himalaya, en bleef in de stad Kapivastu. De priesters van Boeddha openden de tempeldeuren wijd voor hem.
Hoofdstuk 32.
Onder de boeddhistische priesters was er een die hoge wijsheid zag in de door Jezus gesproken woorden. Het was Barata Arabo. Jezus en Barata lazen samen de Veda's, de Avesta, de wijsheid van Gautama, en de joodse psalmen en de profeten. En lezende en pratende over de mogelijkheden van de mens, zei Barata : 'De mens is het wonder van het universum. Hij is een deel van alles want hij is een levend wezen geweest op elk niveau van leven. Er was een tijd dat de mens er niet was, en darna werd hij wat vormloze substantie in de matrijzen van de tijd, en daarna een prooplasma. Door een universele wet hebben alle dingen de neiging opwaarts te streven naar een staat van volmaaktheid. Het protoplasma evolueert tot worm, dan tot reptiel, vogel, dier, en dan ten laatste bereikt het de vorm van de mens. De mens zelf is denken, en denken is hier volmaking bereiken door ondervinding. Denken wordt dikwijls openbaar in vleselijke vorm, en dan in de vorm die het beste voor de groei van het denken geschikt is. Aldus wordt denken openbaar als worm, vogel, dier, of mens. De tijd zal komen dat alles in het leven geëvolueerd zal zijn tot de staat van de volkomen mens. En nadat de mens volmaakt is geworden, zal hij tot hogere vormen van leven evolueren'. En Jezus zei : 'Barata Arabo, wie heeft u geleerd dat het denken, dat de mens is, zich kan openbaren in het vlees van dieren, vogels, of kruipend gedierte ?'. Barata zei : 'Vanaf de oudste tijden waaraan de mens geen herinnering meer heeft, hebben onze priesters het ons zo verteld, en zo weten wij'. En Jezus zei : 'Verlichte Arabo, zijt gij een grote geest en weet ge niet dat een mens niets wéét door wat hem verteld wordt ? De mensen geloven wat andere zeggen, maar op die manier wéét hij niets. Als de mens wil weten, moet hij zelf zijn wat hij weet. Herinnert ge u, Arabo, dat ge een aap, een vogel, of een worm waart ? Wanneer ge geen ander bewijs hebt voor uw pleidooi dan hetgeen de priesters u verteld hebben, dan wéét ge niet, maar raadt slechts. Let dus niet op wat iemand gezegd heeft, laten we het vlees vergeten en ga met de geest naar het land van de onstoffelijke dingen : de geest vergeet nooit. En terug door de eeuwen heen kunnen grote geesten zichzelf nagaan, en aldus wéten zij. Er was nooit een tijd dat de mens niet was. Hetgeen begint, heeft ook een einde. Als er een tijd is geweest dat de mens er niet was, zal er ook weer een tijd komen waarin hij niet meer bestaat. In Gods eigen optekenboek lezen we : de drieënige God ademde uit en zeven geesten stonden voor hem. De hebreeërs noemen deze zeven geesten : Elohim. En deze zijn het die in hun onbegrensde macht, alles geschapen hebben wat is, en was. Deze geesten van de drieënige God bewogen zich over de oppervlakte van de eindeloze ruimte, en zeven ethers waren, en iedere ether had zijn eigen vorm van leven. Deze vormen van leven waren slechts de gedachten van God, gekleed in de substanties van hun ehterniveaus. De mensen noemen deze etherniveaus : het niveau van het protplasma, van de aarde, van de plant, van het dier, van de mens, van de engel, en van de cherubim. Deze niveaus, overvloeiende van alle gedachten Gods, kunnen nooit gezien worden door de ogen van mensen in het vlees ; zij zijn samengesteld uit suvstantie die veel te fijn is om door menselijke ogen gezien te kunnen worden, en toch bouwen zij de ziel der dingen. En met de ogen van de ziel kunnen alle levende wezens deze etherniveaus en alle vormen van leven, zien. Omdat alle vormen van leven op ieder niveau gedachten van God zijn, kunnen alle wezens dènken, en ieder wezen is in het bezit van een wil en heeft, gerekend naar zijn staat van zijn, de macht om te kiezen. En in hun eigen niveaus worden alle wezens voorzien van voeding uit de ehters van hun niveaus. En zo was het met elk levend ding, totdat de wil 'traag' werd, en toen begonnen de ethers van het protoplasma, de aarde, de plant, het dier, en de mens, zeer langzaam te vibreren. De ethers werden steeds meer verdicht en alle wezens werden met grovere gewaden bekleed, de gewaden van vlees die men kon zien. En aldus verscheen de grovere openbaring, die de mensen 'fysisch' noemen. En dit is wat de val van de mens wordt genoemd. Maar de mens viel niet alleen : protoplasma, aarde, plant en dier, waren allen in de val inbegrepen.
De engelen en de cherubim vielen niet : hun wil bleef sterk en daardoor hielden zij de ehters van hun niveaus in harmonie met God. Toen nu de ethers de snelheid van de atmosfeer bereikten en alle wezens van deze niveaus hun voeding moesten ontvangen van de atmosfeer, kwam het conflict, en toen werd wat de eindige mens het voortbestaan van de sterkste heeft genoemd : wet. De sterkere at de lichamen van de zwakkere openbaringen, en hier ligt de oorsprong van de stoffelijke evolutiewet. En nu, in al zijn schaamteloosheid, valt de mens aan en eet de dieren, en het dier eet de plant, en de pkant teert op de aarde, en die aarde absorbeert het protoplasma. In het gindse koninkrijk van de ziel is deze stoffelijke evolutie niet bekend, en de grote arbeid van de grote geesten is om het erfdeel van de mens te herstellen, om hem terug te brengen tot zijn verloren staat van zijn, opdat hij wederom zal leven van de ethers van zijn oorspronkelijk niveau. Gods gedachten veranderen niet. De manifestaties van leven op elk niveau ontvouwen zich naar hun aard in perfectie. En aangezien de gedachten Gods nooit kunnen sterven, is er geen dood voor enig wezen in de zeven ethers van de zeven geesten van de drieënige God. En daarom is een aarde nooit plant, dier of vogel ; daarom is een kruipend wezen nooit mens, en de mens kan geen dier zijn, of vogel, of kruipend ding. De tijd zal komen dat al deze zeven manifestaties geabsorbeerd zullen worden, en mens, dier, plant, aarde, en protplasma bevrijd zullen worden'. Barata was verbaasd : de wijsheid van de joodse wijze was een openbaring voor hem.
Vidyapatie, de wijste der wijzen in India, hoofd van de tempel van Kapavistu, hoorde Barata met Jezus spreken over de oorsprong van de mens, en hoorde het antwoord van de hebreeuwse profeet, en zei : 'Gij priesters van Kapavistu, aanhoort mij : wij staan heden op een top van de tijd. Zes eeuwen geleden werd een grote ziel geboren die aan de mens een glorievol licht bracht, en nu staat hier in de tempel een grote wijze. Deze hebreeuwse profeet is de vergoddelijkte morgenster van wijsheid. Hij brengt ons een kennis van de geheimen Gods, en de gehele wereld zal zijn woorden horen en bewaren, en zijn naam verheerlijken. Gij priesters, sta op, wees stil en luister wanneer hij spreekt : hij is het levende orakel van God'. En alle priesters dankten en prezen de Boeddha der verlichting.
Hoofdstuk 33.
Jezus zat in stille meditatie verzonken bij een stromende bron. Het was een heilige dag en veel mensen van de dienstbare kaste waren dichtbij. En Jezus zag de scherp gestrokken rimpels van arbeid op elk voorhoofd en in elke hand. In geen enkel gelaat was enig teken van vreugde. Geen enkele uit de groep kon aan iets anders denken dan aan zwoegen. En Jezus sprak tot een van hen en zei : 'Waarom zijt ge zo bedroefd ? Hebt ge geen geluk in uw leven ?'. De man antwoordde : 'Wij kennen nauwelijks de betekenis van dat woord. Wij zwoegen om te leven en hopen op niets anders, en zegenen de dag dat wij het zwoegen kunnen staken en ons neerleggen in de dodenstad van Boeddha'. En het hart van Jezus werd met medelijden en liefde voor deze arme zwoegers vervuld, en hij zei : 'Arbeid mag niet niemand droef maken. De mensen zouden in hun arbeid ht gelukkigst moeten zijn. Wanneer hoop en liefde de achtergrond zijn van arbeid, dan is het gehele leven vervuld van vreugde en vrede, en dat is de hemel. Weet ge dan niet dat er ook voor u zulk een hemel is ?'. De man antwoordde : 'Van de hemel hebben wij gehoord, maar die is zo ver weg, en wij moeten nog zoveel levens doorleven alvorens wij die plaats bereiken'. En Jezus zei : 'Mijn broeder, ge denkt verkeerd : uw hemel is niet ver weg, en hij is geen uitgemeten en begrensde plek, het is geen land dat je moet bereiken : het is een staat van bewustzijn. God schiep nooit een hemel voor de mens, Hij schiep nooit een hel : wij zelf zijn de scheppers, en wij maken onze eigen hemel en onze eigen hel. Nu moet u ophouden met de hemel te zoeken in de lucht : open alleen de vensters van uw hart, en als een stroom van licht zal de hemel komen en een oneindige vreugde in u brengen. En dan zal arbeid niet zulk een moeilijke taak voor u zijn'.
Het volk was verbaasd en kwam dichterbij om deze vreemde jonge meester te horen spreken. En zij smeekten hem om hun meer over die Vader-God te vertellen, en over de hemel die door de mensen op aarde gemaakt kan worden, en over die oneindige vreugde. En Jezus vertelde een gelijkenis, en zei : 'Een zeker iemand bezat een veld waarvan de bodem hard en arm was. Met constante zware arbeid leverde het veld nauwelijks genoeg voedsel om zijn gezin voor honger te bewaren. Op een dag kwam een mijnwerker, die onder de oppervlakte van de bodem kon zien, voorbij, en zag de arme man en zijn onvruchtbare veld. Hij riep de vermoeide zwoeger en zei : mijn broeder, weet gij niet dat vlak onder de oppervlakte van uw dorre veld rijke schatten verborgen liggen ? Gij ploegt en zaait en haalt slechts een schrale oogst binnen, maar dag aan dag wandel je over een goudmijn en kostbare gesteenten. Deze schat ligt niet aan de oppervlakte van de grond, maar indien ge slechts die rotsige bodem zult weggraven en diep in de aarde gaat delven, zult ge niet langer de grond voor niets bewerken. De man geloofde : die mijnwerker kon het weten, en hij wilde die schatten vinden die in zijn veld verborgen lagen. En toen groef hij de rotsgrond weg, en heel diep onder de aarde vond hij een goudmijn'. En Jezus vervolgde : 'De mensenkinderen zwoegen hard op verlaten vlakten en op brandend hete zanderige en rotsige gronden. Zij doen wat hun vaders deden, niet dromende dat zij ook wel iets anders konden doen. Maar ziet, nu komt een meester en vertelt hun van een verborgen schat, vertelt hun dat onder de rotsige bodem van stoffelijke dingen onnoemelijke schatten verborgen liggen, dat in het hart de schoonste juwelen in overvloed aanwezig zijn, dat hij die het wenst, de deur kan openen en ze kan vinden'. En toen zei het volk : 'Maak ons de weg bekend opdat wij de weelde die in ons hart verborgen ligt, mogen vinden'. En Jezus opende die weg : de zwoegers zagen een andere zijde van het leven, en arbeid werd vreugde voor hen.
Hoofdstuk 34.
Het was een galadag in heilig Kapavistu ; een groot aantal boedhistische tempelgangers waren bijeen gekomen om een herdenking te vieren. Priesters en meesters uit alle delen van India waren aanwezig, en zij onderwezen ; maar zij verfraaiden weinig waarheid met vele woorden. En Jezus ging naar een oud plein alwaar hij onderwees : hij sprak over de Vader-God en vertelde over de broederschap van al wat leeft. De priesters en het volk stonden versteld over zijn woorden en zeiden : 'Is deze niet Boeddha die in vlees is teruggekomen ? Niemand anders zou zo eenvoudig en met zoveel macht kunnen spreken'. En Jezus vertelde een gelijkenis, en zei : 'Er was eens een geheel verwaarloosde wijngaard : de wijnstokken waren hoog, de groei van bladeren en takken groot. De bladeren waren breed en sloten de wijnstokken voor het zonlicht af ; de weinige druiven waren zuur en klein. De snoeier kwam, en met zijn mes sneed hij alle takken weg en geen blad bleef er over, alleen wortel en stok, niets meer. De bezige buren kwamen kijken en waren verbaasd en zeiden tot de snoeier : gij dwaas, de wijngaard is geplunderd ! Daar is nu niets moois overgebleven, en als straks de oogsttijd komt, zullen de oogsters geen vruchten vinden. De snoeier zei : denk maar wat jullie willen, komt terug met de oogsttijd en kijk dan ! En toen de oogsttijd begon, kwamen de bezige buren terug en waren verwonderd : de naakte staken hadden tak en blad gekregen, en zware trossen heerlijke druiven bogen iedere tak ter aarde. De oogsters verheugden zich en elke dag droegen zij de rijke voorraad vruchten naar de pers. Aanschouw nu de wijngaard van God, waar menselijke wijnstokken verspreid staan over de aarde. De prachtige vormen en riten van de mensen zijn de takken, en hun woorden de bladeren. En deze zijn zo groot geworden dat het zonlicht het hart niet meer kan bereiken ; er zijn geen vruchten. Maar de snoeier komt en met een scherp mes snijdt hij de takken en bladeren van woorden weg. En niets blijft over dan de naakte stokken van menselijk leven. De priesters en allen die van hoogdravend vertoon houden, geven de snoeier verwijten en zouden hem de arbeid willen beletten. Zij zien geen schoonheid in de staken van menselijk leven, geen beloften van vruchten. De oogsttijd zal komen en zij die de snoeier bespot hebben, zullen komen kijken en verwonderd staan, want ze zullen zien dat de menselijke staken, die zo levenloos schenen, zwaar hangen van kostbare vruchten. En ze zullen horen hoe de oogsters zich verheugen omdat die oogst zo overdadig is'. De priesters waren niet erg tevreden over de woorden van Jezus, maar zij maakten hem geen verwijten : ze vreesden de menigte.
Hoofdstuk 35.
De Indische wijzen en Jezus ontmoetten elkaar dikwijls en bespraken dan de noden van de mensen. Ze wisselden van gedachten over de heilige leerstellingen en vormen en riten die voor de komende eeuw het meest geschikt zouden zijn. Op een dag zaten ze samen in een bergpas, en Jezus zei : 'De komende eeuw zal zeker geen priesters en altaren met levende offergaven nodig hebben. Van de offeranden van dieren en vogels gaat geen kracht uit die de mens helpt een heilig leven te leiden'. En Vidyapati zei : 'Alle vormen en riten zijn symbolen van alles wat men moet doen in de tempel van de ziel. De Eénheilige vrlangt dat de mens zijn leven geeft in vrijwillige offerande voor de mensheid, en al de zogenaamde offeranden op altaren en in heiligdommen die vanaf de aanvang der tijden opgericht zijn, waren gemaakt om de mens te leren hoe hij zichzelf moet inzetten om zijn broeder te redden, want de mens kan nooit zichzelf redden tenzij hij zijn leven verliest in het redden van anderen. De volmaakte eeuw zal geen vormen en riten en vleesoffers verlangen. De komende eeuw is echter niet de volmaakte eeuw, en de mensen zullen vragen naar doeltreffende lessen en symbolische tempelgebruiken. En in de grote godsdienst die ge bij de mensen zult invoeren, zullen enkele eenvoudige riten van wassingen en riten die de opwekking der herinnering beogen, nodig zijn. Maar het wrede offeren van dieren en vogels eisen de goden niet'.
En Jezus zei : 'Onze God moet walgen van het klatergouden vertoon van priesters en hun voorwerpen. Wanneer de mensen zich uitdossen in mooie gewaden om te laten zien dat zij dienaren van God zijn, en deftig rondlopen als bonte vogels om door de mensen bewonderd te worden uit eerbied of iets anders, dan is het zeker dat de Eénheilige zich in volslagen walging afwendt. Alle mensen zijn gelijk as dienaren van onze Vader-God. Zal de komende eeuw niet de algehele verdwijning van de priesterkaste vragen, als wel van iedere andere kaste en van de ongelijkheid onder de mensenkinderen ?'. En Vidyapati zei : 'De komende eeuw is niet de eeuw van geestelijk leven, en de mensen zullen prat gaan op het dragen van priesterlijke gewaden en vrome liederen zingen om zichzelf als heiligen bekend te maken. De eenvoudige riten die gij wilt invoeren, zullen door uw volgelingen aangeprezen worden totdat de heilige dienst van de eeuw de priesterlijke dienst van de brahmaanse eeuw ver in glans zal overtreffen. Dit is het probleem dat de mensen moeten oplossen. De volmaakte eeuw zal komen wanneer ieder mens een priester zal zijn, en de mensen zich niet meer in speciale kleding willen uitdossen om met hun vroomheid te koop te lopen'.
Deel VII : Zain
Hoofdstuk 36.
In Lassa in Tibet was een tempel van meesters, rijk aan manuscripten over antieke kennis. De wijze van India had deze manuscripten gelezen en hij openbaarde aan Jezus vele van de geheime lessen die zij bevatten, maar Jezus wilde ze zelf lezen. De grootste wijze van het hele verre oosten, Meng-ste, was in deze tempel van Tibet. Het pad dwars door de hoogten van Emodus was moeilijk, maar Jezus ging op weg en Vidyapati gaf hem een betrouwbare gids mee. En Vidyapati zond ook een bode naar Meng-ste die hem alles over de hebreeuwse wijze vertelde, en voor hem een welkome ontvangst bij de tempelpriesters verzocht.
Na vele dagen reizen en aan grote gevaren te hebben bloot gestaan, bereikten de gids en Jezus de Lassatempel in Tibet. En Meng-ste opende wijd de tempeldeuren en alle priesters en meesters verwelkomden de hebreeuwse wijze. En Jezus kreeg toegang tot alle heilige manuscripten, en las ze alle, met de hulp van Meng-ste. En deze sprak dikwijls met Jezus over de komende eeuw en over de gewijde dienst, die het beste bij de mensen van die eeuw zou passen.
In Lassa onderwees Jezus niet. Toen hij al zijn studies in de tempelscholen beëindigd had, reisde hij naar het westen. Ten slotte bereikte hij de pas, en in Leh - stad van Ladak - werd hij met genegenheid door de monniken, koolieden, en mensen van nederige afkomst, ontvangen. En hij verbleef in het klooster en onderwees. En toen zocht hij contact met het gewone volk op de handelsmarkten, en daar onderwees hij. Niet ver daar vandaan woonde een vrouw wier zoon doodziek was. De dokters hadden verklaard dat er geen hoop meer was en het kind moest sterven. De vrouw hoorde dat Jezus een leraar was door God gezonden, en zij was ervan overtuigd dat hij de macht had haar zoon te genezen. En zo nam zij het stervende kind in de armen, rende weg, en vroeg de man van God te spreken. Toen Jezus haar geloof zag, hief hij zijn ogen ten hemel en zei : 'Mijn Vader-God, laat goddelijke macht mij overschaduwen en laat de goddelijke adem dit kind geheel en al vervullen, opdat het leven moge'. En in de aanwezigheid van de menigte legde hij zijn hand op het kind en zei : 'Goede vrouw, gij zijt gezegend : uw geloof heeft uw kind gered'. En toen was het kind gezond.
(nota : dit illustreert min of meer de werkwijze van het 'verrichten van wonderen', dat meestal verkeerd geïnterpreteerd wordt : Jezus geneest niet het kind omwille vàn dat kind of diens ziekte, maar omwille van het onwrikbare geloof van de vrouw ! Jezus vraagt de macht aan God om het karma van de vrouw te kunnen wegnemen. De genezing is dus slechts een gevolg van de karmavermindering van de vrouw. <marcus>).
De mensen waren verbaasd en zeiden : 'Deze is beslist de Eénheilige die vlees geworden is, want een gewoon mens kan niet op deze wijze een koorts verdrijven en een kind van de dood redden'. Toen brachten velen uit het volk hun zieken, en Jezus sprak het woord, en zij werden genezen. Jezus bleef vele dagen bij de Ladaks, en hij leerde hen hoe zij konden genezen, en hoe zonden uitgewist konden worden, en hoe op aarde een hemel vol vreugde kon gemaakt worden. De mensen hielden van hem door zijn woorden en werken, en toen hij moest vertrekken hadden zij veel verdriet, net zoals kinderen verdriet hebben als hun moeder heengaat. En op de morgen van zijn vertrek waren er ontelbaren om hem de hand te drukken. Hij sprak hen toe met een gelijkenis : 'Een koning hield zoveel van zijn onderdanen dat hij zijn enige zoon zond met kostbare gaven voor allen. De zoon ging overal heen en strooide de gaven met gulle hand uit. Maar daar waren priesters die in tempels van vreemde goden regeerden, en zij waren niet verheugd omdat de koning deze gaven niet door hùn bemiddeling geschonken had. En daarom trachtten zij te bewerken dat iedereen de zoon ging haten. Ze zeiden : deze geschenken hebben geen enkele waarde : ze zijn nagemaakt. En zo wierpen de mensen de kostbare edelstenen, het goud en zilver op straat. Zij grepen de zoon, sloegen hem, bespuwden hem, en verdreven hem uit hun midden. De zoon nam hun de beledigingen en wreedheden niet kwalijk, maar bad aldus : mijn Vader-God, vergeef deze schepsels , zij zijn slechts slaven en weten niet wat ze doen. En terwijl zij nog bezig waren hem te slaan, zegende hij hen met oneindige liefde'. En Jezus vervolgde : 'Mijn Vader-God is koning over de gehele mensheid, en hij heeft mij gezonden met alle overvloed van zijn mateloze liefde en onbegrensde rijkdom. Ziet, aan alle mensen van alle landen moet ik deze gaven - dit water en dit brood ten leven - brengen. Ik vervolg nu mijn weg, maar wij zullen elkaar weer ontmoeten, want in mijn Vaderland is plaats voor allen, en ik zal een plaats voor u bereiden'. En Jezus hief zijn hand op in stille zegening, en ging op weg.
Hoofdstuk 37.
Een karavaan van kooplieden trok door het dal van Kashmar en ontmoette Jezus. Zij waren op weg naar Lahore, een stad van Hand, het vijfstromenland. De kooplieden hadden de profeet horen spreken, hadden zijn machtige werken in Leh gezien en zij waren verheugd hem weer te ontmoeten. En toen zij vernamen dat hij onderweg was naar Lahore en dat hij over de Sind en verder westwaarts ging, en dat hij geen rijdier had, gaven ze hem een sterke kameel, gezadeld en toegerust. Jezus reisde met de karavaan mee.
En toen zij Lahore bereikten, onvingen Ajainin en enkele andere brahmaanse priesters hem met vreugde. Ajainin was de priester die vele maanden eerder in Benares 's nachts tot Jezus gekomen was en diens woorden van waarheid hoorde. En Jezus was de gast van Ajainin, en leerde hem vele dingen, onthulde hem de geheimen der geneeskunde. Hij leerde hem hoe hij macht kon hebben over de geesten van de lucht, van het vuur, het water en de aarde. En hij verklaarde hem de geheime leer van vergeving, en van het uitwissen van zonden. Eens zaten Ajainin en Jezus in het portaal van de tempel. Een korps rondtrekkende zangers en muzikanten bleven voor het plein zingen en spelen. Hun muziek was bijzonder klankrijk en gevoelig en Jezus zei : 'Bij de hoogbeschaafden van het land horen wij geen liefelijker muziek dan wat deze ruige kinderen van de wildernis ons nu brengen. Van waar komen dit talent en deze kunde ? In één kort leven hebben zij beslist niet zulk een liefelijke stem, zoveel kennis van de wetten van harmonie en klank kunnen ontwikkelen. Men noemt hen wondermensen. Maar er zijn geen wondermensen. Alles is het resultaat van een natuurlijke wet. Deze mensen zijn niet jong : duizend jaren zijn niet voldoende om hun zulk een goddelijke wijze van uitdrukking en zulk een zuiverheid van stem en aanslag te geven. Tienduizend jaren terug, waren deze mensen reeds meesters in de harmonie. In de oude dagen bewandelden zij de drukke verkeerswegen van het leven en vingen de melodie op van de vogels, en speelden op perfect gevormde harpen. en ze zijn teruggekomen om nog andere lessen uit het zo gevarieerde programma van openbaringen te leren. Deze rondtrekkende mensen maken del uit van het hemelse orkest en in het land van volmaaktheid zullen de engelen zelf hen met vreugde horen spelen en zingen'.
En Jezus onderwees het gewone volk van Lahore, hij genas hun zieken en wees hun de weg om door behulpzaamheid tot betere toestanden op te stijgen. Hij zei : 'We zijn niet rijk door hetgeen we ontvangen en vasthouden ; de enige dingen die we behouden zijn die welke we geven. Indien je het volmaakte leven wil geven, geef dan uw leven in dienst van uw medemens, en voor die levensvormen die de mens als de lagere levensvormen beschouwen'. Maar Jezus kon niet langer in Lahore blijven, en zei de priesters en anderen vaarwel, nam toen zijn kameel, en ging op weg naar de Sind.
15:43
Gepost door marcus
in Algemeen |
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|











